ECLI:NL:RBDHA:2026:20123

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
09/059807-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 UitleveringswetArt. 28 UitleveringswetArt. 12 Europees verdrag betreffende uitlevering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitlevering aan Zuid-Afrika ontoelaatbaar wegens onvoldoende stukken en discrepantie pleegdata

De rechtbank Den Haag behandelde op 6 juli 2026 het verzoek van de Republiek Zuid-Afrika tot uitlevering van een persoon verdacht van fraude, diefstal en witwassen. Het verzoek was ingediend met diverse stukken, waaronder een arrestatiebevel van 25 augustus 2023 en een uiteenzetting van de feiten. De verdachte verscheen ter zitting en verzette zich tegen uitlevering, stellende dat de stukken ontoereikend en deels onjuist waren, en dat een deel van de feiten was verjaard.

De officier van justitie concludeerde dat het verzoek ontoelaatbaar was omdat het arrestatiebevel niet betrekking had op de feitelijke pleegdata genoemd in het uitleveringsverzoek. De rechtbank toetste dit aan artikel 18 van Pro de Uitleveringswet en het Europees verdrag betreffende uitlevering, en stelde vast dat het arrestatiebevel een pleegdatum vermeldde die niet overeenkwam met de in het verzoek genoemde periodes van de strafbare feiten.

Gezien de discrepantie en het feit dat aanvullende stukken waarschijnlijk niet tijdig verstrekt zouden worden, besloot de rechtbank het verzoek tot uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. De uitlevering werd daarmee afgewezen zonder aanhouding van de procedure voor nader onderzoek.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het uitleveringsverzoek ontoelaatbaar wegens onvoldoende en niet-overeenkomende stukken en wijst het verzoek af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Uitleveringskamer
Kenmerk: UTL-I-2021016017
Parketnummer: 09/059807-26
De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van de Republiek Zuid-Afrikaanse autoriteiten tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
wonende te [adres], [woonplaats],
verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1.Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken

1.1
Het verzoek tot uitlevering
Bij brief van 22 juli 2025 heeft de Ambassade van de Republiek Zuid Afrika aan het Ministerie van Buitenlandse zaken van Nederland een verzoek, in de Engelse taal, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon. Bij deze brief is een brief van 22 april 2025 van het Departement van Justitie en Staatkundige Ontwikkeling van de Republiek Zuid-Afrika aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland toegevoegd, inhoudende een gewaarmerkt verzoek in de Engelse taal strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging (hierna ook: het uitleveringsverzoek).
Blijkens voormeld verzoek wordt de opgeëiste persoon in de Republiek Zuid-Afrika verdacht van primair fraude, subsidiair diefstal en witwassen.
Bij brief van 11 augustus 2025 van de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), is verzocht het door de Republiek Zuid-Afrika gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen.
1.2
De door de verzoekende staat overgelegde stukken
Voormeld verzoek is vergezeld van en / of in voormeld verzoek is het volgende opgenomen:
  • een authentiek afschrift van een door de daartoe bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, te weten een
  • een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
  • de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften, met dien verstande dat de tekst van Part II of Schedule 2 van de Criminal Law Amendment Act, Act. No. 105 van 1997 niet als zodanig aan het uitleveringsverzoek is toegevoegd;
  • stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en haar nationaliteit;
 informatie betreffende de in de Republiek Zuid-Afrika geldende verjaringstermijn voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd.
1.3
De overige stukken
In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:
  • een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 mei 2026, betreffende de opgeëiste persoon;
  • stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon;
  • de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Den Haag van 12 maart 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek;
  • de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie te Den Haag, overgelegd ter zitting op 6 juli 2026, houdende diens opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;
  • de pleitnotities van de raadsman van de opgeëiste persoon, overgelegd ter zitting op 6 juli 2026.

2.Het onderzoek ter zitting

2.1
De behandeling
Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 6 juli 2026. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken.
De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen - en bijgestaan door haar raadsman mr. R.A. Kaarls - heeft verklaard dat zij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, en dat zij enkel de Zuid-Afrikaanse nationaliteit bezit. De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat zij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet.
Namens het openbaar ministerie is verschenen officier van justitie mr. H.J. Starrenburg.
2.2
Het standpunt van de opgeëiste persoon
Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat het uitleveringsverzoek ontoelaatbaar dient te worden verklaard. Ter onderbouwing heeft de raadsman namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat het uitleveringsverzoek niet begrijpelijk is, de stukken niet genoegzaam zijn en op onderdelen evident onjuist zijn. Ook is een deel van de feiten verjaard.
2.3
De opvatting van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard. Ter onderbouwing heeft de officier van justitie aangevoerd dat niet aan de vereisten genoemd in artikel 18 van Pro de Uitleveringswet (hierna ook: UW) is voldaan nu het voorliggende uitleveringsverzoek geen aanhoudingsbevel bevat dat betrekking heeft op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd. Het aanhoudingsbevel bevat soortgelijke feiten als de feiten genoemd in het uitleveringsverzoek, maar betreft een pleegdatum die ver na de pleegperiodes genoemd in het uitleveringsverzoek ligt. Gelet op de ervaring dat het opvragen van aanvullende stukken bij de Zuid-Afrikaanse autoriteiten vaak jaren duurt en ook gelet op de ouderdom van de feiten in deze zaak, doet de officier van justitie geen verzoek tot aanhouding om hiernaar onderzoek te doen. Aangezien de stukken zoals deze nu voorliggen niet volledig zijn, dient de uitlevering ontoelaatbaar te worden verklaard.

3.Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering

3.1
Toepasselijke wet en verdrag
Op het verzoek zijn de UW, het Europees verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) en de daarbij horende Eerste en Tweede Aanvullende protocollen van toepassing.
3.2
Genoegzaamheid van de stukken
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 18, eerste lid, UW een verzoek tot uitlevering slechts in overweging kan worden genomen indien het voldoet aan de vereisten omschreven in de navolgende leden van artikel 18. Met andere woorden, de rechtbank dient te beoordelen of de overgelegde stukken genoegzaam zijn.
Artikel 18, derde lid, onderdeel a, UW bepaalt dat het onderhavige verzoek vergezeld moet gaan van het origineel of een authentiek afschrift van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft, een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd. Artikel 12, tweede lid, onderdeel a, EUV bepaalt dat ter onderbouwing van het onderhavige verzoek een origineel of authentiek afschrift van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, dient te worden overgelegd, opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende partij.
De rechtbank overweegt dat de Republiek Zuid-Afrika een arrestatiebevel, opgemaakt op 25 augustus 2023, heeft overgelegd. Op dit arrestatiebevel staat als pleegdatum voor de feiten diefstal, fraude en witwassen 2 maart 2020 opgenomen. Blijkens het uitleveringsverzoek wordt de opgeëiste persoon echter verdacht van primair fraude, subsidiair diefstal, en witwassen, in de volgende periodes:
  • 19 januari 2016 tot en met 30 oktober 2019 ten aanzien van [organisatie 1]; en
  • 27 februari 2013 tot en met 19 december 2016 ten aanzien van [organisatie 2].
De rechtbank stelt vast dat de pleegdatum genoemd in het arrestatiebevel niet overeenkomt met de pleegperiodes die in het uitleveringsverzoek worden genoemd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat uit het arrestatiebevel onvoldoende naar voren komt dat dit ziet op de feiten, zoals die zijn genoemd in het uitleveringsverzoek. De door de Republiek Zuid-Afrika overgelegde stukken zijn dus niet genoegzaam.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden om het openbaar ministerie de opdracht te geven om nadere informatie op te vragen, nu uit het dossier volgt dat het niet waarschijnlijk is dat de Republiek Zuid-Afrika binnen een redelijke termijn antwoord geeft.
De rechtbank verklaart op grond van artikel 28, tweede lid, UW de uitlevering dan ook ontoelaatbaar.

4.Beslissing

De rechtbank:
verklaart ontoelaatbaar de uitlevering aan de autoriteiten van de Republiek Zuid-Afrika van [de opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van de in de bijlage bij het uitleveringsverzoek vermelde feiten.
Deze uitspraak is gewezen door:
mr. L.J. van den Herik, voorzitter,
mr. G. Kuijper, rechter,
mr. W.R. van Hattum, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. K. Muijsert, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 6 juli 2026.