ECLI:NL:RBDHA:2026:20125

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
23/1998
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar naheffingsaanslag BPM

Verweerder legde eiseres op 10 december 2021 een naheffingsaanslag BPM op. Eiseres diende op 4 augustus 2022 bezwaar in, maar dit was niet tijdig volgens artikel 6:7 Awb Pro. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, wat eiseres betwistte in beroep.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaarschrift inderdaad te laat is ingediend en dat eiseres geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die het verzuim rechtvaardigen. Het beroep op het Unierecht faalt omdat de termijn niet in strijd is met Unierechtelijke regels, conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

Daarom is de niet-ontvankelijkverklaring terecht en komt de rechtbank niet toe aan inhoudelijke behandeling van het bezwaar. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Voor het verzoek om immateriële schadevergoeding verwijst de rechtbank naar een samenhangende zaak met een vrijwel identiek geschil.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank den hAAg

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1998
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

/

Procesverloop

Verweerder heeft eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 10 december 2021 een naheffingsaanslag belasting personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd.
Eiseres heeft daartegen bij brief van 4 augustus 2022 bezwaar ingediend.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 januari 2023 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en geen proceskosten vergoed.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3].

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 10 december 2021 een naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd.
2. Eiseres heeft hiertegen bij brief van 4 augustus 2022, door verweerder ontvangen op 5 augustus 2022, een bezwaarschrift ingediend.
Geschil en beoordeling van het geschil3. In geschil is of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
4. Niet in geschil is, en de rechtbank heeft geen reden anders te oordelen, dat het bezwaarschrift niet is ingediend binnen de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.
5. Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.
6. De rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat eiseres noch in haar beroepschrift noch in haar nadere stukken feiten en/of omstandigheden heeft gesteld betreffende de te late indiening van het bezwaarschrift. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres niet aangegeven dat de tijdige ontvangst van de naheffingsaanslag wordt betwist.
7. Eiseres voert in haar beroepschrift aan dat beslissingen op basis van nationale regelingen, zoals de bezwaartermijn van artikel 6:7 van Pro de Awb, geen betekenis kan toekomen in een Unierechtelijk geschil.
8. Het hanteren van deze termijn is niet in strijd met het Unierecht, zo blijkt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:AF0193). Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan een inhoudelijke behandeling van de bezwaren van eiseres komt de rechtbank dus niet toe.
9. Gelet hierop zal het beroep ongegrond worden verklaard
Verzoek tot vergoeding van immateriële schade
10. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van eiseres geregistreerd onder nummer SGR 23/1984 dat een vrijwel identiek geschil betreft aansluitend en dat op dezelfde zitting is behandeld. De vastgestelde samenhang brengt met zich dat in de voormelde uitspraak de beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding is vervat.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, en
  • verwijst voor de beoordeling van het verzoek om immateriële schade naar de samenhangende zaak met zaaknummer SGR 23/1984.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
T.T. Langeveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via
www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).