ECLI:NL:RBDHA:2026:20135
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijf als pleegkind wegens onvoldoende aannemelijkheid geen aanvaardbare toekomst in Suriname
Eiser, een Surinaamse minderjarige, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als pleegkind bij zijn tante in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat eiser in Suriname geen aanvaardbare toekomst heeft en dat zijn vader, eventueel met financiële ondersteuning van de tante, niet voor hem kan zorgen.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat hij niet duurzaam verzorgd kan worden door zijn vader of andere familieleden in Suriname. Hoewel eiser stelde dat zijn tante een belangrijke verzorgende rol vervult en dat zijn woonsituatie in Suriname kwetsbaar is, kon hij dit niet voldoende onderbouwen. De rechtbank hield rekening met het feit dat eiser van zijn 12e tot 15e jaar bij zijn vader in Suriname heeft verbleven.
Eiser voerde ook aan dat de minister de bewijslast te hoog legde en dat de afwijzing onevenredig hard was. De rechtbank stelde dat de minister beoordelingsruimte heeft en dat het beleid terughoudend wordt getoetst. De hardheidsclausule werd niet van toepassing geacht omdat de minister voldoende had gemotiveerd dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter M.B. de Boer op 17 juli 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsaanvraag blijft in stand.