ECLI:NL:RBDHA:2026:20135

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.8315
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.28 Vreemdelingenbesluit 2000Paragraaf B7/3.7 Vreemdelingencirculaire 2000Paragraaf B7/3.7.1.1 Vreemdelingencirculaire 2000Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijf als pleegkind wegens onvoldoende aannemelijkheid geen aanvaardbare toekomst in Suriname

Eiser, een Surinaamse minderjarige, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als pleegkind bij zijn tante in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat eiser in Suriname geen aanvaardbare toekomst heeft en dat zijn vader, eventueel met financiële ondersteuning van de tante, niet voor hem kan zorgen.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat hij niet duurzaam verzorgd kan worden door zijn vader of andere familieleden in Suriname. Hoewel eiser stelde dat zijn tante een belangrijke verzorgende rol vervult en dat zijn woonsituatie in Suriname kwetsbaar is, kon hij dit niet voldoende onderbouwen. De rechtbank hield rekening met het feit dat eiser van zijn 12e tot 15e jaar bij zijn vader in Suriname heeft verbleven.

Eiser voerde ook aan dat de minister de bewijslast te hoog legde en dat de afwijzing onevenredig hard was. De rechtbank stelde dat de minister beoordelingsruimte heeft en dat het beleid terughoudend wordt getoetst. De hardheidsclausule werd niet van toepassing geacht omdat de minister voldoende had gemotiveerd dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter M.B. de Boer op 17 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.8315
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren op [geboortedag 1] 2006, van Surinaamse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. E. Tahitu),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen afwijzing van de aanvraag van eiser om een mvv [1] voor verblijf als familie- of gezinslid.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft de zitting met een digitale verbinding bijgewoond.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
2. Eiser wil als pleegkind verblijf bij zijn tante [persoon 1] (referente). Referente, geboren op [geboortedag 2] 1974 en van Nederlandse nationaliteit, heeft de voogdij over eiser. Op 3 oktober 2023 heeft referente de mvv-aanvraag voor eiser ingediend. Met het primaire besluit van 5 april 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 januari 2025 heeft de minister het daartegen ingediende bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor verblijf als pleegkind. [2] Volgens de minister is niet gebleken dat eiser in Suriname geen aanvaardbare toekomst heeft. De minister vindt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Suriname niet of bezwaarlijk door andere in Suriname verblijvende bloed- of aanverwanten, waaronder zijn vader, kan worden verzorgd. Ook is er volgens de minister geen aanleiding om vanwege bijzondere omstandigheden af te wijken van het beleid. Tot slot is volgens de minister tussen eiser en referente geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [3] , omdat tussen hen geen hechte persoonlijke banden bestaan.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat eiser in Suriname geen aanvaardbare toekomst heeft. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gewicht toegekend aan de feitelijke gezinsband met referente, die na het overlijden van zijn biologische moeder de rol van moeder op zich heeft genomen en hem financieel en opvoedkundig ondersteunt. De biologische vader heeft eiser slechts beperkt verzorgd en geen wezenlijke rol gespeeld in zijn opvoeding, terwijl de ondersteuning van referente bepalend is geweest voor zijn ontwikkeling. Daarnaast heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met eisers afhankelijke woonsituatie bij een oudere verzorger (surrogaat oma), waardoor zijn opvang in Suriname niet duurzaam is gewaarborgd.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn gronden van beroep vrijwel woordelijk heeft herhaald wat hij reeds in bezwaar had aangevoerd. Daarop is de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan. Eiser heeft niet toegelicht wat op die punten onjuist is aan de motivering van de minister in het bestreden besluit. Een dergelijke herhaling is evenmin voldoende om de voormelde standpunten van de minister als onvoldoende gemotiveerd te kunnen aanmerken.
4.1.
Ter zitting heeft eiser nader aangevoerd dat hij zich - kort gezegd - op het standpunt stelt dat de bewijslast te hoog is. Daarbij heeft eiser benadrukt dat door de minister te weinig rekening is gehouden met de feitelijke band tussen eiser en referent, alsmede met de huidige situatie van [persoon 2] , de oom van eiser aan moederszijde die voor eiser als toeziend voogd fungeert en ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in Suriname verbleef, maar inmiddels in Nederland woont. Ook is ter zitting aangevoerd dat de afwijzing van de aanvraag getuigt van onevenredige hardheid, waarmee eiser een beroep doet op de hardheidsclausule. De rechtbank bespreekt dit hieronder verder.
Geen aanvaardbare toekomst en bewijslast
5. Vooropgesteld moet worden dat de minister beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of eiser in Suriname geen aanvaardbare toekomst heeft. Dat betekent dat de toetsing door de bestuursrechter terughoudend moet zijn. Dit neemt echter niet weg dat op de minister de verplichting rust om het besluit zorgvuldig voor te bereiden en van een deugdelijk motivering te voorzien. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in Suriname wonende naaste bloed- of aanverwanten niet of bezwaarlijk voor hem kunnen zorgen. [4] Ook benadrukt de rechtbank dat zij het bestreden besluit ex-tunc dient te toetsen. Dit betekent dat de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit moet beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden, als ook de bewijsstukken, zoals die zich op het moment waarop het bestreden besluit werd genomen voordeden.
5.1.
De rechtbank overweegt dat, nu eiser degene is die de aanvraag heeft ingediend, de bewijslast bij hem ligt om aannemelijk te maken dat zijn in Suriname wonende naaste bloed- of aanverwanten niet in staat of bereid zijn om voor hem te zorgen. De rechtbank betrekt daarbij dat de minister er terecht op heeft gewezen dat uit de door de vader van eiser overgelegde verklaringen blijkt dat de overdracht van verzorging en opvoeding aan referente financieel is gemotiveerd. Voor zover eiser ter zitting heeft betoogd dat referente reeds jarenlang zijn voogd is en dat dit is aangetoond, overweegt de rechtbank dat uit de voogdijbeschikking niet volgt dat hij daardoor geen aanvaardbaar toekomstperspectief in Suriname zou hebben. Wat betreft de ter zitting door eiser gedane mededeling dat zijn oom, die toeziend voogd is, inmiddels niet meer in Suriname verblijft maar in Nederland woont, overweegt de rechtbank dat deze stelling - nog daargelaten dat deze niet nader is onderbouwd - wegens de ex-tunc-toetsing niet bij de beoordeling wordt betrokken.
5.2.
De minister heeft verder niet ten onrechte erop gewezen dat eiser niet met bewijsstukken aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader in Suriname niet voor hem kan zorgen, eventueel met (financiële) ondersteuning van referente. Eiser heeft verklaringen overgelegd van referente en van zijn vader. Uit de verklaring van zijn vader blijkt dat deze hem vooral vanwege zijn financiële en/of woonsituatie niet zou kunnen verzorgen en dat referente financiële ondersteuning biedt. De minister heeft hierover kunnen overwegen dat de vader van eiser voor hem kan zorgen en hem kan opvoeden, en dat referente zo nodig financieel kan bijspringen. Daarbij is tevens gebleken dat eiser reeds vanaf zijn 12e jaar (in 2018) tot en met zijn 15e jaar bij zijn vader heeft verbleven. Er is dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eisers familie in Suriname, eventueel met financiële ondersteuning van referente, niet voor hem kan zorgen. Daarmee is evenmin aannemelijk gemaakt dat eiser in Suriname geen aanvaardbare toekomst heeft.
5.3.
Het betoog van eiser slaagt niet.
Onevenredige hardheid
6. Ten aanzien van eisers beroep op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank als volgt. Referente heeft ter zitting toegelicht dat zij sinds het overlijden van de biologische moeder van eiser, de zus van referente, de feitelijke moeder van eiser is, dat zij een sterke en intense band met hem heeft en dat zij hem graag bij zich heeft. Dit heeft zij invoelbaar toegelicht. Inmiddels is ook gebleken dat eiser een aanvraag heeft ingediend voor een studie aan de [school] en dat daarvoor een mvv is verleend. De rechtbank blijft begrip hebben voor de wens van referente om eiser, als pleegkind, bij zich te hebben en, omgekeerd, voor de wens van eiser om bij referente te zijn. Dat neemt echter niet weg dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde intense band onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden waaruit volgt dat toepassing van het beleid [5] onevenredig is in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen. Het is inherent aan de gekozen systematiek dat het veelal om schrijnende situaties gaat. De minister heeft toereikend gemotiveerd dat niet is gebleken dat eiser in Suriname geen aanvaardbare toekomst heeft. Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank geen grond ziet voor het oordeel dat de gevolgen van de toepassing van het beleid in dit geval onevenredig hard zijn.
7. Al het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep van eiser niet slaagt en geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Artikel 3.28, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), gelezen in samenhang met paragraaf B7/3.7. (en 3.7.1.) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
5.Paragraaf B7/3.7.1.1. van de Vc.