ECLI:NL:RBDHA:2026:20136

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.30448
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met nieuwe beslistermijnen

Eiser diende op 1 juni 2026 beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn asielaanvraag van 12 augustus 2025. De wettelijke beslistermijn van zes maanden was op 12 februari 2026 verstreken zonder besluit. De minister reageerde op 25 juni 2026 met een verweerschrift, waarin hij een verlenging van de beslistermijn van twaalf weken verzocht vanwege een grote voorraad openstaande aanvragen.

De rechtbank stelde vast dat het beroep ontvankelijk en gegrond was, omdat eiser tijdig een ingebrekestelling had gedaan en daarna beroep instelde. De rechtbank verliet het eerdere 8+8-wekenmodel en introduceerde nieuwe nadere beslistermijnen, afhankelijk van of de vreemdeling al dan niet was gehoord over zijn asielmotieven.

In deze zaak was eiser nog niet gehoord, waardoor de minister een termijn van acht weken krijgt voor het afnemen van een gehoor en vier weken daarna voor het nemen van een besluit. De rechtbank legde een dwangsom van €50 per dag op bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van €467 aan eiser.

De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden op 20 juli 2026. Partijen hebben geen zitting verzocht, waardoor de zaak zonder zitting is behandeld.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een nieuwe beslistermijn van twaalf weken op met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.30448
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: A. Salim).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser op 1 juni 2026 heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 12 augustus 2025 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
De minister heeft op 25 juni 2026 met een verweerschrift op het beroep gereageerd. Eiser heeft op 30 juni 2026 een reactie gegeven op het verweerschrift.

Overwegingen

De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
3. De minister heeft de aanvraag op 12 augustus 2025 ontvangen. De beslistermijn is zes maanden en eindigde op 12 februari 2026.3 Binnen die termijn heeft de minister niet beslist
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat gold vóór 12 juni 2026).
op de aanvraag. Eiser heeft de minister op 4 mei 2026 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts heeft eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4 In deze zaak is dit aan de orde.
5. Tot voor kort hanteerde de rechtbank bij het bepalen van een nadere beslistermijn het zogeheten 8+8-wekenmodel.5
6. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact (AMP) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het AMP en de nieuwe Procedureverordening is de voornemenprocedure komen te vervallen.6 Het vervallen van de voornemenprocedure strekt ertoe de asielprocedure te vereenvoudigen en, mede gelet op de verkorte beslistermijnen uit de Procedureverordening, de besluitvorming te versnellen.7
7. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat hij door het vervallen van de voornemenprocedure meer ruimte heeft gekregen om zelf te bepalen welke stappen nodig zijn om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen. Desondanks kampt de minister nog altijd met een grote voorraad aan asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Het is volgens de minister nu niet mogelijk om precies aan te geven wanneer wel op deze aanvragen, waaronder de asielaanvraag van eiser, zal worden beslist. Omdat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere beslistermijn zal moeten verbinden, vraagt de minister de rechtbank om een nadere beslistermijn van twaalf weken op te leggen. Deze termijn is volgens de minister niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort.
8. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om het 8+8-wekenmodel te verlaten. Als uitgangspunt zal de rechtbank voortaan de volgende nadere beslistermijnen hanteren:
9. Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van acht weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal twaalf weken.
10. Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing.
11. Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden8 is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van vier weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal zes weken.
12. Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet
4 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
6 Stb. 2026, 127.
7
Kamerstukken II2025/26, 36 871, nr. 3, p. 46 & 47.
8 Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing.
De rechtbank benadrukt dat de genoemde termijnen een uitgangspunt zijn. In individuele zaken kan de rechtbank hiervan afwijken.
9. In de onderhavige zaak is eiser nog niet gehoord over zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen en binnen vier weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.

De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak

10. De rechtbank verlaat de lijn waarbij in de regel een dwangsom van € 100,- per dag werd verbonden voor elke dag waarmee de minister de nadere beslistermijn overschrijdt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de nieuwe aanbeveling die in dit verband geldt. 9 De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van de aanbeveling af te wijken.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twaalf weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een gehoor over de asielmotieven van eiser af te nemen en binnen vier weken nadien een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 juli 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.