ECLI:NL:RBDHA:2026:20148

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38401
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59c VwArt. 106 VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

Deze uitspraak betreft het beroep van een Poolse vreemdeling tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en het verzoek om schadevergoeding.

De minister heeft de maatregel opgelegd vanwege een onderduikrisico, gebaseerd op meerdere gronden zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, het niet naleven van vertrekverplichtingen, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De eiser betwist deze gronden niet inhoudelijk. De rechtbank oordeelt dat deze gronden feitelijk juist en voldoende zijn toegelicht en de maatregel kunnen dragen.

Eiser stelde dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn en dat er sprake is van een motiveringsgebrek met betrekking tot zijn psychische situatie. De rechtbank acht het onderduikrisico voldoende aannemelijk en stelt dat de minister terecht geen lichter middel heeft toegepast. De medische zorg binnen het detentiecentrum is adequaat gemotiveerd en er zijn geen omstandigheden die de bewaring onevenredig maken.

De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter P.L.C.M. Ficq en griffier B.S. Beens op 17 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38401

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.H.K. van Middelkoop als waarnemer van de gemachtigde van eiser, B.A. Hitchcock-Szafranska als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

3. Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1996.
4. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [2] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [3] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [4] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [5]
4.1.
De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.
4.2.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een onderduikrisico aan te nemen.
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Eiser zou worden opgehaald door zijn broer vanuit Polen. Bovendien beschikt eiser over een geldige Poolse identiteitskaart. Verder voert eiser aan dat er sprake is van een motiveringsgebrek ten aanzien van de psychische situatie van eiser. Eiser heeft verklaard dat hij last heeft van een vermoeid hoofd, zoals blijkt uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Dat had moeten worden betrokken bij de motivering van de maatregel. Een standaardmotivering volstaat niet, aldus eiser.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de bewaringsgronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Daarvoor is onder meer van belang dat eiser niet beschikt over een vaste woon- of verblijfsplaats en/of voldoende middelen van bestaan. Bovendien blijkt uit het dossier dat eiser vaag en onsamenhangend heeft verklaard over door wie hij zou worden opgehaald vanuit Polen en wanneer dit zou gebeuren. Ten aanzien van eisers medische omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de medische zorg binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Ook is er gespecialiseerde zorg aanwezig voor mensen met psychische problematiek, en kunnen zij indien dat nodig is worden overgeplaatst. Mede gelet op wat eiser heeft verklaard over de ernst van zijn klachten op dit punt, volstaat naar het oordeel van de rechtbank de standaardmotivering in de maatregel. Niet is gebleken dat sprake is van andere omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bewarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel dan bewaring op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
5.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
6.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.