ECLI:NL:RBDHA:2026:20149

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.3261
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62a Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit en inreisverbod in vreemdelingenrecht

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit dat op 25 december 2024 door verweerder is opgelegd vanwege haar onrechtmatig verblijf in Nederland. Tevens was er sprake van een voornemen tot het opleggen van een inreisverbod. Eiseres betwistte de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en voerde aan dat dit besluit onterecht was omdat zij uit eigen beweging Nederland en de EU zou verlaten.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, verweerder verplicht is een vreemdeling die niet langer rechtmatig verblijft schriftelijk in kennis te stellen van de verplichting Nederland te verlaten en de termijn daarvoor. Omdat eiseres niet langer rechtmatig verbleef, was het opleggen van het terugkeerbesluit gerechtvaardigd. De stelling van eiseres dat er geen belang was bij het terugkeerbesluit faalde.

Ten aanzien van het inreisverbod stelde verweerder dat dit niet daadwerkelijk was opgelegd, slechts een voornemen daartoe bestond. De rechtbank vond geen bewijs dat een inreisverbod was opgelegd en verwierp het verweer van eiseres dat dit niet kon worden opgelegd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor eiseres geen gelijk kreeg, geen griffierecht terugontving en geen proceskostenvergoeding kreeg toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter L.Z. Achouak El Idrissi zonder zitting.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het vermeende inreisverbod is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3261

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. [eiser 2] ),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de oplegging van een terugkeerbesluit en een inreisverbod aan eiseres. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder het terugkeerbesluit heeft mogen opleggen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder een terugkeerbesluit en inreisverbod aan eiseres heeft mogen opleggen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 25 december 2024 heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd, omdat eiseres onrechtmatig verbleef in Nederland. Verweerder heeft eiseres een termijn van 28 dagen gegeven om de Europese Unie te verlaten. Aan eiseres is tevens een voornemen uitgereikt om een inreisverbod uit te vaardigen. Verweerder heeft aan eiseres uiteindelijk geen terugkeerbesluit uitgevaardigd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft partijen gevraagd om toestemming om de zaak zonder zitting af te doen. Partijen hebben daar toestemming voor gegeven. De rechtbank doet daarom uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder een terugkeerbesluit voor de duur van twee jaar mocht uitvaardigen aan eiseres.
3.2.
Eiseres voert aan dat er ten onrechte een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. Het terugkeerbesluit is genomen door de Koninklijke Marchausse Schiphol bij het vertrek van eiseres uit Nederland. Eiseres is van oordeel dat er geen belang is bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit als een vreemdeling al uit eigen beweging vertrekt. In dit geval is het terugkeerbesluit uitgevaardigd terwijl eiseres op het punt stond het Nederlandse grondgebied (en de EU) te verlaten. Er is geen termijn gesteld voor terugkeer naar Suriname, dit was ook niet nodig omdat eiseres al zelf Nederland verliet. Een wettelijke grondslag voor een terugkeerbesluit ontbreekt in dit geval.
3.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is verweerder gehouden de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf in Nederland heeft, schriftelijk in kennis te stellen van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen. Nu niet in geschil is dat eiseres ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit niet langer rechtmatig verblijf had in Nederland, mocht verweerder een terugkeerbesluit uitvaardigen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3.4.
Eiseres voert aan dat er geen grond is voor het opleggen van een inreisverbod. Verweerder heeft in het verweerschrift echter toegelicht dat aan eiseres geen inreisverbod is opgelegd. De rechtbank overweegt dat uit het dossier volgt dat er wel een voornemen tot het opleggen van een inreisverbod is opgelegd, maar dat geenszins is gebleken dat verweerder ook een inreisverbod aan eiseres heeft opgelegd. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat verweerder haar geen inreisverbod kon opleggen, volgt de rechtbank haar dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Voetnoten

1.Overeenkomstig artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.