ECLI:NL:RBDHA:2026:20151

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37462
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59c VwArt. 106 VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

Eiser, die stelt van Roemeense nationaliteit te zijn, is door de minister van Asiel en Migratie in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en vordert tevens een schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 behandeld. De minister heeft de maatregel opgelegd omdat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, niet voldoet aan de terugkeerplicht, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en onvoldoende middelen van bestaan. Eiser betwist deze gronden, maar de rechtbank oordeelt dat eiser niet over identiteitsdocumenten beschikt, zich enige tijd aan toezicht heeft onttrokken en niet aan zijn vertrekplicht heeft voldaan.

De rechtbank stelt vast dat het risico op onderduiken aannemelijk is en dat geen lichter middel dan vreemdelingenbewaring toereikend is. Eiser heeft onvoldoende omstandigheden aangevoerd die een lichter middel rechtvaardigen. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.37462

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 6 juli 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1998, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mw. Korf- Bereczi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [2] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [3] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [4] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [5]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte aanneemt dat het risico bestaat dat hij zal onderduiken. In dat verband betwist hij bovengenoemde gronden van de maatregel.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Eiser beschikt niet over een identiteitsdocument en hij kan niet aantonen dat hij deze wel in het bezit had toen hij naar Nederland kwam. Verder heeft eiser niet voldaan aan zijn verplichting tot terugkeer en heeft hij zich enige tijd onttrokken aan het toezicht. Dat eiser niet op de hoogte zou zijn geweest van zijn vertrekplicht volgt de rechtbank niet, nu uit het dossier blijkt dat eiser heeft getekend voor ontvangst van het besluit [6] waarin de verplichting tot vertrek is opgenomen en dat de strekking van dat besluit aan hem is uitgelegd met behulp van een tolk. In het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de bestreden maatregel heeft eiser vervolgens verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Roemenië, dat hij buiten slaapt en dat hij middelen van bestaan vergaart door het verzamelen van flessen. De minister heeft voornoemde gronden daarom kunnen tegenwerpen. Deze vijf gronden zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
6. Eiser betoogt verder dat de minister in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Gelet op de onder 5.1 genoemde omstandigheden heeft de minister kunnen volstaan met de overweging dat het risico dat eiser bij het opleggen van een meldplicht weer onderduikt te groot is. Eiser heeft zelf immers ook geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan mogelijk toepassing had moeten worden gegeven aan een lichter middel. Eisers betoog dat de minister in zijn overweging had moeten meenemen dat hij heeft verklaard dat hij wel
kanterugkeren volgt de rechtbank niet. Eiser heeft immers ook meerdere keren verklaard dat hij in Nederland wil blijven en niet
wilterugkeren.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
5.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
6.Beschikking intrekking verblijfsrecht van 19 mei 2026.
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.