ECLI:NL:RBDHA:2026:20157
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen grensdetentie en verzoek om schadevergoeding afgewezen
Eiser, een Libische asielzoeker, werd op 9 juni 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 23 juni 2026 opgeheven nadat zijn asielaanvraag op 22 juni 2026 was ingewilligd.
De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat het visum van eiser voor kort verblijf was en dat het asielverzoek in de grensprocedure werd behandeld, waardoor de maatregel terecht kon worden opgelegd. De rechtbank vond dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, mede omdat eiser op 20 juni 2026 nog aanvullingen had ingediend.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel tot 23 juni 2026 niet onzorgvuldig was, omdat er nog praktische zaken geregeld moesten worden voor de opvang van eiser. Er was geen grond voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de grensdetentie is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.