ECLI:NL:RBDHA:2026:20157

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.34326
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen grensdetentie en verzoek om schadevergoeding afgewezen

Eiser, een Libische asielzoeker, werd op 9 juni 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 23 juni 2026 opgeheven nadat zijn asielaanvraag op 22 juni 2026 was ingewilligd.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat het visum van eiser voor kort verblijf was en dat het asielverzoek in de grensprocedure werd behandeld, waardoor de maatregel terecht kon worden opgelegd. De rechtbank vond dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, mede omdat eiser op 20 juni 2026 nog aanvullingen had ingediend.

De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel tot 23 juni 2026 niet onzorgvuldig was, omdat er nog praktische zaken geregeld moesten worden voor de opvang van eiser. Er was geen grond voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de grensdetentie is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.34326

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. F. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De vrijheidsontnemende maatregel is op 23 juni 2026 opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser heeft de Libische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedag] 1993.
Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser betoogt dat de grensdetentie van meet af aan, dan wel vanaf het
aanmeldgehoor (op 12 juni 2026), dan wel vanaf het nader gehoor (op 19 juni 2026), dan wel vanaf datum asielbesluit (op 22 juni 2026) als onrechtmatig moet worden aangemerkt.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgronden niet slagen. Dat eiser beschikte over een door Nederland verstrekt visum maakt niet dat aan hem de vrijheidsontnemende maatregel niet kon worden opgelegd. Eiser heeft bij aankomst op Schiphol immers asiel aangevraagd en daarmee beoogt hij langdurig verblijf. Het visum was echter afgegeven voor kort verblijf, reden waarom het visum na eisers asielverzoek is ingetrokken. Eisers asielaanvraag is behandeld in de grensprocedure, zodat de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in beginsel kon worden opgelegd. Verder volgt uit paragraaf C1/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 [1] dat de minister gedurende de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure voortdurend afweegt of het asielverzoek zich (nog) leent voor afdoening binnen die procedure. Uitgangspunt is dat de minister uiterlijk na het nader gehoor, op basis van volledige informatie, indien de asielaanvraag niet verder kan worden behandeld in de grensprocedure, dit aan de vreemdeling kenbaar maakt. Hiervan kan worden afgeweken indien in een eerder of later stadium de relevante informatie voorhanden is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat alle relevante informatie al vóór het nader gehoor voorhanden was. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister ook na het nader gehoor enige tijd mag nemen voor de beoordeling van de informatie die eiser daarin naar voren heeft gebracht. In het geval van eiser heeft het nader gehoor plaatsgevonden op 19 juni 2026 en is zijn asielaanvraag ingewilligd bij besluit van 22 juni 2026. De rechtbank acht dat voldoende voortvarend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser op 20 juni 2026 nog correcties en aanvullingen heeft ingediend naar aanleiding van het nader gehoor. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van strijd met voornoemd beleid. Dat de maatregel een dag later, op 23 juni 2026, pas is opgeheven maakt het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel evenmin onrechtmatig. De minister heeft daarover ter zitting verklaard dat de asielaanvraag op 22 juni 2026 om 14:42 uur is ingewilligd, maar dat daarna nog één en ander moest worden geregeld voor de opvang van eiser. Dat het niet is gelukt om dat dezelfde nog te regelen maakt niet dat de minister onvoldoende zorgvuldig of onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
3. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond voor het oordeel dat het opleggen of voortduren van de bestreden maatregel onrechtmatig is. Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zoals die gold ten tijde van eisers asielaanvraag, de versie van 6 juni 2026.