ECLI:NL:RBDHA:2026:20167

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.61666
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 TerugtrekkingsakkoordArt. 19 TerugtrekkingsakkoordBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening intrekking verblijfsrecht op grond van Terugtrekkingsakkoord

Verzoeker diende op 13 september 2021 een aanvraag in voor een verblijfsdocument op grond van artikelen 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord. De minister verleende dit aanvankelijk op 27 september 2021, maar stelde bij besluit van 18 november 2025 vast dat het verblijfsrecht van verzoeker van rechtswege was geëindigd per 28 augustus 2021. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

Op 7 mei 2026 behandelde de rechtbank het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening gezamenlijk. De voorzieningenrechter oordeelde dat nu het beroep was behandeld en een uitspraak was gedaan, een voorlopige voorziening niet langer nodig was en wees het verzoek af.

Daarnaast bepaalde de voorzieningenrechter dat verzoeker recht had op vergoeding van proceskosten en griffierecht. De minister werd veroordeeld tot betaling van € 934,- aan proceskosten en € 194,- aan griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van het verblijfsrecht is afgewezen en de minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.61666
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. J.C.M. van Oort),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L.J.E. Altdorf).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van het verblijfsrecht van verzoeker op grond van de artikelen 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord.1
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Verzoeker heeft op 13 september 2021 een aanvraag ingediend voor de verlening van een verblijfsdocument op grond van artikelen 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord. Op 27 september 2021 heeft de minister de aanvraag ingewilligd. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 november 2025 vastgesteld dat het verblijfsrecht van verzoeker van rechtswege is geëindigd per 28 augustus 2021. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorlopige voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
4. De rechtbank heeft het verzoek op 7 mei 2026, samen met het beroep met zaaknummer NL25.61664, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, M.V. Babkina als tolk en de gemachtigde van de minister. Ook waren twee begeleiders van verzoeker van [bedrijf] aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.61664, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
1. Het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, 2019/C 384 I/01.
6. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van de uitspraak op het beroep, aanleiding te bepalen dat verzoeker een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank deze kosten vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van €194,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 juni 2026

Documentcode: [Documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.