ECLI:NL:RBDHA:2026:20169

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36901 e.a.
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 59c Vw 2000Art. 106, eerste lid, Vw 2000Art. 5.5 Vb 2000Art. 5.6, eerste en tweede lid, Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en weigering schadevergoeding aan gezin

Deze uitspraak betreft de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan een gezin bestaande uit vader, moeder en twee minderjarige kinderen. De minister van Asiel en Migratie legde deze maatregel op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers betwistten de rechtmatigheid van de maatregel en vorderden tevens een schadevergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de maatregel oplegde vanwege het risico op onderduiken en het ontwijken of belemmeren van de uitzettingsprocedure. De gronden a en b uit artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zijn feitelijk juist en voldoende om de bewaring te dragen. De stelling van eisers dat een lichter middel had moeten worden toegepast wordt verworpen, mede omdat zij niet aan de opgelegde meldplicht voldeden en reeds verbleven op een vrijheidsbeperkende locatie.

Ook is geoordeeld dat de belangen van de minderjarige kinderen voldoende zijn meegewogen, waarbij het belang werd onderkend dat zij bij hun ouders verblijven. De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen. De beroepen worden ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen vreemdelingenbewaring ongegrond en wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.36901, NL26.36940, NL26.36945 en NL26.37007

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaken tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres

[eiser],v-nummer: [nummer 2], eiser
mede namens hun minderjarige kinderen:
[naam kind 1],v-nummer: [nummer 3]
[naam kind 2],v-nummer: [nummer 4]
eisers,
(gemachtigde: mr. D. Gürses)
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan elk van eisers afzonderlijk is opgelegd. Deze maatregelen zijn opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers zijn het niet eens met de maatregelen. Zij voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregelen en de vraag of aan eisers een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Het opleggen van de maatregelen van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregelen van vreemdelingenbewaring voldoen aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met afzonderlijke bestreden besluiten van 1 juli 2026 heeft de minister aan eisers de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eisers ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eisers is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [3] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [4] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [5] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen. [6]
Mocht de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eisers worden opgelegd?
4. Eisers vormen samen een gezin van vader, moeder en twee kinderen. De minister heeft aan elk van eisers de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken en eisers de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijken of belemmeren.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eisers:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging hebben ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg hebben gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerken aan het vaststellen van hun identiteit en nationaliteit;
d. in verband met hun aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens hebben verstrekt over hun identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat (alleen ten grondslag gelegd aan de maatregel van eiser);
e. zich zonder noodzaak hebben ontdaan van hun reis- of identiteitsdocumenten;
h. hebben te kennen gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan de verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel hebben ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 hebben gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning hebben ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
s. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
4.2.
Eisers hebben gronden a, b, c, e, h, j, o, p, q, r en s betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister grond a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Eisers betogen dat een onregelmatige binnenkomst op zichzelf geen reden is voor de inbewaringstelling van eisers wanneer dit ruime tijd geleden is. Hiermee betwisten eisers niet de feitelijke juistheid van grond a. Ook grond b is terecht tegengeworpen omdat deze feitelijk juist is. Eisers betogen dat het feit dat zij Nederland niet hebben verlaten voortvloeit uit het verloop van hun asielprocedures. Hiermee betwisten eisers niet de feitelijke juistheid van deze grond.
4.3.
Gronden a en b zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 te kunnen dragen. Wat eisers verder hebben aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen verdere bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling van eisers?
5. Eisers betogen dat de minister ten onrechte niet heeft volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Het enkele feit dat in het verleden sprake is geweest van een MOB-melding maakt niet dat ten tijde van de inbewaringstelling sprake was van een actueel onderduikrisico. Hierbij is van belang dat eisers verbleven in een opvanglocatie van het COa, deze verblijfplaats bekend was bij de minister, eisers zijn aangetroffen op hun kamer en dat geen sprake was van een opsporingsactie. Van een actueel risico op onttrekking aan het toezicht was om die reden geen sprake.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet hoeven volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling van eisers. Zoals de minister op de zitting terecht heeft gesteld is aan eisers eerder een meldplicht opgelegd. Hier hebben eisers niet aan voldaan. Ook verbleven eisers al op een vrijheidsbeperkende locatie, maar hebben zij desondanks niet hun eigen terugkeer gerealiseerd. Bovendien volgt het risico op onderduiken uit de gronden die terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen van eisers?
6. Eisers betogen dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van hun minderjarige kinderen. Uit de maatregelen blijkt niet dat de minister een concrete en individuele belangenafweging heeft gemaakt. Ook blijkt uit de maatregelen niet waarom de inbewaringstelling van de kinderen noodzakelijk was.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende rekening gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen van eisers. In de maatregel van eiseres staat een uitgebreide belangenafweging. Hieruit volgt dat het in het belang van de minderjarige kinderen is dat zij bij hun ouders verblijven en niet van hen gescheiden worden. Bovendien hebben eisers niet nader onderbouwd waaruit volgt dat deze belangenafweging onvoldoende is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eisers aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eisers verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregelen niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen tegen de maatregelen van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
2.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
4.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
5.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb 2000.
6.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.