ECLI:NL:RBDHA:2026:20170

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.28147
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering uitstel vertrek om medische redenen bij asielaanvraag

Eiser, een Egyptische asielzoeker, diende op 8 september 2023 een asielaanvraag in met het verzoek om uitstel van vertrek om medische redenen. De minister wees de aanvraag af op 13 mei 2026, omdat eiser zijn medische problemen onvoldoende had onderbouwd met recente medische documenten en niet kon aantonen dat hij momenteel onder behandeling stond voor psychische problematiek.

Eiser voerde aan dat de minister ten onrechte geen advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) had ingewonnen en dat zijn psychische gesteldheid ernstig was, onder meer vanwege een eerdere opname in een psychiatrische inrichting in 2022. De rechtbank oordeelde echter dat het gedrag van eiser tijdens de zitting niet uitzonderlijk was en dat de minister terecht geen aanleiding zag om het BMA te raadplegen.

Verder bleek uit het overgelegde dossier dat de psychische problematiek van eiser drie jaar geleden speelde en dat recentere medische gegevens alleen hoofdpijnklachten vermeldden. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd voor het verlenen van uitstel van vertrek om medische redenen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de vordering van eiser af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter M. van Harten op 15 juli 2026 te Arnhem.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van uitstel van vertrek om medische redenen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28147

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Daarbij heeft de minister besloten om geen uitstel van vertrek om medische redenen aan eiser te verlenen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet verlenen van uitstel van vertrek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft terecht geen uitstel van vertrek om medische redenen aan eiser verleend en terecht geen aanleiding gezien om het Bureau Medische Advisering (BMA) om advies te vragen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 mei 2026 deze aanvraag afgewezen. Ook heeft de minister daarmee geen uitstel van vertrek om medische redenen aan eiser verleend.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit. Hij heeft op 8 september 2023 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Egypte vreest problemen te krijgen met zijn familie, buren, directe omgeving en de autoriteiten vanwege zijn biseksuele gerichtheid. De minister heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister ook besloten om geen uitstel van vertrek om medische redenen aan eiser te verlenen. [1]
3.1.
Eisers beroep richt zich uitsluitend op de weigering van de minister om hem uitstel van vertrek om medische redenen te verlenen. De afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond en de redenen die de minister daarvoor heeft gegeven zijn dus niet in geschil.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft eiser geen uitstel van vertrek om medische redenen verleend, omdat hij zijn gestelde medische problemen niet heeft onderbouwd aan de hand van recent gedateerde medische documenten en niet heeft aangetoond ergens onder behandeling te staan vanwege zijn mentale gesteldheid.
Had de minister uitstel van vertrek om medische redenen aan eiser moeten verlenen?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft geweigerd om hem uitstel van vertrek om medische redenen te verlenen. In het besluit wordt overwogen dat eiser onsamenhangend verklaart met korte zinnen en geen antwoord geeft op de vragen. In de zienswijze is al gewezen op de psychische decompensatie van eiser en ook dat er geen zinnig gesprek met hem te voeren is. De minister was daarom al voor het nemen van het besluit op de hoogte van de negatieve psychische gesteldheid van eiser. Het was geïndiceerd geweest om het BMA om een medisch advies te vragen in het kader van de beoordeling of eiser in aanmerking komt voor het verlenen van uitstel van vertrek om medische redenen.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij eiser geen uitstel van vertrek om medische redenen hoeft te verlenen. Ook heeft hij terecht geen aanleiding gezien om het BMA om advies te vragen. Eiser heeft zijn gestelde medische problemen namelijk onvoldoende onderbouwd, en van concrete aanwijzingen voor die problemen is anderszins ook onvoldoende gebleken. Eiser vertoonde tijdens het nader gehoor weliswaar opvallend gedrag – hij beantwoordde de gestelde vragen soms niet, vroeg vaak om pauze en moest vaak naar het toilet – maar de minister heeft tijdens de zitting voldoende toegelicht dat dit gedrag voor een vreemdeling niet zó ongebruikelijk is dat daarin aanleiding had moeten worden gezien om het BMA om advies te vragen. Verder is in het overgelegde GZA-dossier genoteerd dat eiser een voorgeschiedenis van psychose en verslaving heeft en dat de crisisdienst bij hem betrokken is geweest, maar de minister heeft er terecht op gewezen dat die notitie dateert van drie jaar geleden en dat uit recentere toevoegingen aan het dossier alleen blijkt dat eiser hoofdpijnklachten ervaart. Uit het GZA-dossier is ook niet op te maken dat eiser op dit moment onder behandeling staat voor psychische problematiek. Uit het advies van MediFirst blijkt dat eiser bekend is met psychische decompensatie, maar dat betekent eveneens niet dat daar momenteel sprake van is bij eiser. In de zienswijze heeft eiser tenslotte gesteld dat hij in 2022 vier maanden opgenomen is geweest in een psychiatrische inrichting en onder behandeling van een psycholoog is gekomen, maar zoals de minister tijdens de zitting terecht heeft toegelicht, betekent ook dat niet dat eiser nu nog medische problemen ervaart of onder behandeling staat – nog daargelaten dat eiser deze opname en behandeling ook niet met stukken heeft onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

6. De minister heeft terecht geen uitstel van vertrek aan eiser verleend om medische redenen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).