ECLI:NL:RBDHA:2026:20173

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38458
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59c VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 VbArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege een onderduikrisico en het ontwijken of belemmeren van de uitzettingsprocedure.

Eiser betwistte enkele gronden, zoals het niet meewerken aan identificatie en het feit dat hij niet vrijwillig zou vertrekken. De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist en voldoende onderbouwd waren. Ook de overige gronden werden niet betwist en waren toereikend om de maatregel te dragen.

Verder stelde eiser dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn detentie(on)geschiktheid en dat een lichter middel passend zou zijn. De rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat geen lichter middel doeltreffend was en dat de medische zorg in detentie adequaat is. Er waren geen feiten die de maatregel onevenredig bezwarend maakten.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd eiser geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38458

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij het bestreden besluit van 9 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw [1] en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen [tolk] .

Overwegingen

Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [3] Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [4] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [5] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [6]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist gronden b en c. Hiertoe voert hij aan dat grond b weliswaar feitelijk juist is, maar dat dit niet betekent dat eiser niet de gelegenheid moet krijgen om vrijwillig te vertrekken. Daarnaast weet verweerder wie eiser is omdat er een kopie van zijn Poolse identiteitskaart in eisers dossier is opgenomen.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gronden b en c terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen van deze gronden volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [7] Grond b is feitelijk juist en deze feitelijke juistheid is door eiser niet betwist. Dat eiser ter zitting aangeeft vrijwillig te willen terugkeren naar Polen maakt dit niet anders. Eiser heeft ten tijde van zijn staandehouding geen identificerende documenten overgelegd en niet is gebleken van pogingen om deze te verkrijgen. Dit maakt grond c ook feitelijk juist. De rechtbank stelt vast dat de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet door eiser zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat ook deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
Lichter middel
6. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar eisers detentie(on)geschiktheid. Uit het proces-verbaal van bevindingen dat door de politie is opgemaakt naar aanleiding waarvan eiser strafrechtelijk is aangehouden, blijkt dat eiser lang naar agenten kijkt en lacht. Hieruit kan worden afgeleid dat hij hulp nodig heeft. Daarbij heeft eiser zichzelf ondergetekend. Verweerder had in dit geval moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel.
7. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het onderduikrisico te ondervangen. Verweerder heeft overwogen dat eiser alvorens in detentie te worden gesteld een intake krijgt, waarbij de medische dienst beoordeelt of en zo ja welke zorg eiser nodig heeft. Verder kan van de medische zorgverlening binnen het [detentiecentrum] worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd of op een andere manier aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare medische zorg niet toereikend is, dat hij niet in staat kan worden geacht de bewaring op verantwoorde wijze te ondergaan of dat zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Tot slot is ook niet gebleken van feiten of omstandigheden die de maatregel onevenredig bezwarend maken voor eiser.
Ambtshalve toets
8. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 juli 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
6.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
7.Op grond van artikel 5.6, derde lid, van het Vb.