ECLI:NL:RBDHA:2026:20175

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38882
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 44 Asiel- en migratiebeheerverordeningArt. 5.5 VbArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding wegens onderduikrisico

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. De maatregel werd opgelegd vanwege een concreet onderduikrisico en de noodzaak van overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat volgens de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Eiser betwistte met name de grond dat hij niet meewerkt aan de overdracht aan Duitsland, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat eiser in eerdere gehoorzittingen had verklaard niet te willen meewerken aan terugkeer, ondanks latere verklaringen over vrijwillige terugkeer onder voorwaarden. De overige gronden voor bewaring werden niet betwist en waren feitelijk juist.

De rechtbank vond dat verweerder voortvarend had gehandeld en dat een lichter middel onvoldoende effectief zou zijn, mede omdat eerdere minder dwingende maatregelen niet tot vertrek hadden geleid. Er waren geen omstandigheden die de bewaring onevenredig bezwarend maakten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38882

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 13 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vw [1] opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Verweerder heeft op 16 en 17 juli 2026 nog nadere stukken overgelegd. Met instemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek op 20 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening. [3] In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. [4]
2. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde
. [5] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [6]
3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring [7] .
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
5. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser betwist grond k. Hij voert aan dat eiser in het proces-verbaal heeft verklaard dat hij mee wil werken aan een terugkeer naar Duitsland. Hieruit volgt dat eiser coöperatief is.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de grond k terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder heeft in de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende gemotiveerd dat eiser in zijn Dublin aanmeldgehoor van 23 februari 2026 en 9 april 2026 heeft verklaard geen behoefte te hebben om terug te keren naar Duitsland, en dat eiser in zijn vertrekgesprek van 9 april 2026 heeft aangegeven dat hij niet wil meewerken aan een terugkeer naar Duitsland. Dat eiser in zijn laatste gehoor heeft verklaard te willen meewerken aan een terugkeer indien hij zelfstandig mag terugkeren, maakt dit niet anders. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet beschikt over identificerende documenten en dat uit de gronden van de maatregel volgt dat sprake is van een onderduikrisico. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat uit het gedrag van eiser genoegzaam volgt dat hij niet meewerkt aan een overdracht aan Duitsland, omdat eiser ondanks het ongegronde beroep tegen het overdrachtsbesluit nog steeds niet uit Nederland is vertrokken. De gronden a, p, r en s zijn door eiser niet betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van vreemdelingenbewaring. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Het risico op onderduiken is daarmee gegeven.

Voortvarend handelen

8. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder niet voortvarend werkt aan zijn terugkeer aan Duitsland, volgt de rechtbank dit niet. Weliswaar was de inbewaringstelling van eiser voorbereid door verweerder gelet op de machtiging tot binnentreden, maar het is niet onzorgvuldig dat verweerder eerst zeker wil weten of eiser bij de binnentreding wordt aangetroffen, alvorens verdere concrete maatregelen worden getroffen voor de overdracht naar Duitsland. Verweerder stelt hierbij terecht dat hem enige tijd moet worden geboden om eisers vertrek in gang te zetten en dat ook de Duitse autoriteiten de tijd moet worden geboden om eisers overdracht te faciliteren.
Lichter middel
9. Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen, wordt hij hierin niet gevolgd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval een lichter middel onvoldoende effectief zal zijn. Met de gronden is voldoende gemotiveerd dat er sprake is van een risico op onderduiken. In een eerder stadium is reeds een lichter middel toegepast door middel van een meldplicht en het voeren van vertrekgesprekken. Dit heeft niet geleid tot het vertrek van eiser naar Duitsland. Eiser heeft onvoldoende inspanningen verricht om zelfstandig naar Duitsland terug te keren. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Ambtshalve toets
10. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 juli 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
4.Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
5.Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.
6.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
7.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.