ECLI:NL:RBDHA:2026:20176

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL24.11445
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening 810/2009Art. 7:3 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende motivering twijfel tijdige terugkeer

Eiseres, een Iraanse staatsburger, vroeg op 3 mei 2023 een visum voor kort verblijf aan om haar zus en zwager in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af op grond van drie weigeringsgronden: onvoldoende aantonen van het doel en omstandigheden van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren.

Tijdens de procedure handhaafde verweerder uiteindelijk alleen de twijfel over de tijdige terugkeer als weigeringsgrond. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de sterke sociale binding van eiseres met Iran, met name haar gezin dat achterblijft, niet voldoende is om tijdige terugkeer te waarborgen. Verweerder had ook geen rekening gehouden met de economische binding van het gezin en de omstandigheden rondom mogelijke asielaanvragen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 7:3 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van het visum kort verblijf wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van twijfel over tijdige terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11445

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Buitenlandse zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 15 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit (kennelijk) ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder zijn de zus en de nicht van eiseres verschenen. Als tolk is verschenen A. Najafi.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 3 mei 2023 heeft zij een visum voor kort verblijf aangevraagd. Zij wil naar Nederland komen om haar zus en zwager (referent) te bezoeken. Bij het primaire besluit heeft verweerder de visumaanvraag afgewezen.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres gehandhaafd. Hieraan liggen drie weigeringsgronden ten grondslag, te weten: eiseres heeft het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet voldoende aangetoond, eiseres heeft niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken en er bestaat redelijke twijfel over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten.
Beroepsgronden
3. Eiseres stelt dat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf wel degelijk heeft aangetoond en dat zij ook heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Verder vindt eiseres dat verweerder ten onrechte twijfelt over haar tijdige terugkeer naar Iran. Zij stelt een sterke sociale binding (in de vorm van haar minderjarige kind, haar echtgenoot en overige familieleden) en economische binding (in de vorm van een winkel, woning en auto) met Iran te hebben. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.
Het oordeel van de rechtbank
Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf
4. Uit het verweerschrift volgt dat verweerder de weigeringsgrond dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen niet voldoende heeft aangetoond niet langer handhaaft. De rechtbank zal deze weigeringsgrond daarom niet bespreken.
Voldoende middelen van bestaan
5. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat hij de weigeringsgrond dat eiseres niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken ook niet langer handhaaft. De rechtbank zal ook deze weigeringsgrond daarom niet bespreken.
Twijfel over tijdige terugkeer
6. Verweerder handhaaft wel als (enig overgebleven) weigeringsgrond dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
6.1.
Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 810/2009 (Visumcode) wordt een visum geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
6.3.
Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren naar het land van herkomst mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van die vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
6.4.
Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat een tijdige terugkeer van eiseres naar Iran onvoldoende is gewaarborgd. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat niet is gebleken van een zodanige economische binding van eiseres met Iran dat tijdige terugkeer daardoor is gewaarborgd. Verder heeft verweerder gesteld dat eiseres door haar in Iran achterblijvende minderjarige zoon en echtgenoot weliswaar enige mate van sociale binding heeft met Iran, maar dat dit niet afdoet aan het ontbreken van een (voldoende) economische binding. Hierbij heeft verweerder erop gewezen dat het aantonen van een sociale band gelet op de mogelijkheid tot nareis geen 100 % zekerheid geeft dat een tijdige terugkeer is gewaarborgd.
6.5.
De rechtbank overweegt dat zij verweerder kan volgen in zijn standpunt dat de economische binding van eiseres zelf met Iran niet heel sterk is, aangezien de ‘economische zaken’ die haar echt aan Iran kunnen binden (winkel en woning) mede in eigendom zijn van haar echtgenoot die in Iran achterblijft. Dit betekent echter niet zonder meer dat daardoor een tijdige terugkeer naar Iran onvoldoende gewaarborgd is. Een tijdige terugkeer is namelijk niet slechts voldoende gewaarborgd als er én een (substantiële) economische binding én een (substantiële) sociale binding met het land van herkomst bestaat, maar kan ook voldoende zijn gewaarborgd door alleen een voldoende sterke sociale binding (of alleen een voldoende sterke economische binding) met het land van herkomst.
6.6.
Niet in geschil is dat eiseres in Iran een gezin heeft, bestaande uit een echtgenoot en een (ten tijde van het bestreden besluit) minderjarige zoon. Eiseres heeft alleen voor zichzelf een visum aangevraagd. Dit betekent dat haar gezin achterblijft in Iran. Naar het oordeel van de rechtbank moet in beginsel worden aangenomen dat de omstandigheid dat het gezin, met minderjarig kind, van eiseres in Iran achterblijft een zeer stevige sociale binding van eiseres met Iran oplevert. Dat geldt te meer nu er sprake is van omstandigheden die maken dat de echtgenoot van eiseres een meer dan geringe (economische) binding met Iran heeft. Zo bezit hij, al dan niet samen met eiseres, in Iran een winkel en een woning. Deze omstandigheden, die een (economische) binding van het gezin van eiseres met Iran opleveren, heeft verweerder niet (kenbaar) bij het bestreden besluit betrokken.
6.7.
Er kunnen zich omstandigheden voordoen die de stevigheid van voormelde sociale binding van eiseres met Iran minder maakt. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat de mogelijkheid bestaat dat eiseres in Nederland asiel zal aanvragen en vervolgens voor haar echtgenoot en zoon om nareis zal verzoeken. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat de zus en zwager van eiseres, die zij in Nederland wil bezoeken, in 2018 met een visum Nederland zijn ingereisd en vervolgens asiel hebben aangevraagd, en ook hebben gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze omstandigheden de zeer stevige sociale binding die eiseres via haar achterblijvende gezin met Iran heeft minder maakt. Zo heeft verweerder niet gemotiveerd dat de gronden die destijds aanleiding hebben gegeven om de zus en de zwager van eiseres asiel te verlenen zich ook ten aanzien van eiseres voordoen. Eiseres betwist dat in ieder geval. Verder heeft verweerder er geen rekening mee gehouden dat een ‘asiel en nareis-traject’, gelet op de inmiddels (zeer) lange duur van die procedures, niet zonder meer een aantrekkelijke optie voor eiseres is.
6.8.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het in Iran achterblijvende gezin van eiseres niet een voldoende sterke sociale binding van eiseres met Iran oplevert om haar tijdige terugkeer naar Iran gewaarborgd te achten. Het standpunt van verweerder dat de onder 6. weergegeven weigeringsgrond zich voordoet, berust dan ook niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.
Horen in bezwaar
7. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden afgezien van het horen van een belanghebbende indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op wat er hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet van het horen van eiseres en/of referent heeft kunnen afzien.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:3 en 7:12 van de Awb.
9. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder de hiervoor geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om te onderzoeken of er zich één of meerdere weigeringsgronden voordoen en, als hij meent dat dit het geval is, dit deugdelijk te motiveren. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de aard van de gebreken, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar binnen een termijn van zes weken. In die nieuwe beslissing dient verweerder alsnog het gevraagde visum voor kort verblijf te verlenen of zijn weigering om het gevraagde visum voor kort verblijf te verlenen alsnog deugdelijk te motiveren.
10. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Omdat eiseres is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, hoeft verweerder niet het griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.