ECLI:NL:RBDHA:2026:20180

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38718
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 56 VwArt. 106 VwArt. 5.6 VbRichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en e van de Vreemdelingenwet. Verweerder baseerde de bewaring op meerdere gronden, waaronder het niet op juiste wijze binnenkomen van Nederland, onvoldoende medewerking aan identiteitsvaststelling en het ontbreken van voldoende middelen van bestaan.

Eiser betwistte met name de a-grond en de gronden c en s, stellende dat zijn identiteit en nationaliteit inmiddels zijn vastgesteld en dat hij voldoende middelen heeft door zijn werk. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de identiteit niet voldoende is vastgesteld, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van identificatiedocumenten. Ook was de onderbouwing van de middelen van bestaan onvoldoende.

De rechtbank stelde vast dat één grondslag voor vreemdelingenbewaring voldoende is en dat de verzwaarde belangenafweging niet vereist was omdat eiser nog niet zes maanden ononderbroken in detentie verbleef. Verder concludeerde de rechtbank dat geen lichter middel volstond gezien het onderduikrisico en dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38718

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 10 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a, b, c en e van de Vw [2] opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [3]
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen [tolk] .

Overwegingen

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en e van de Vw. In de maatregel heeft verweerder overwogen dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond), met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag (b-grond) en dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw in het geval de vreemdeling die maatregel niet naleeft en het onderduikrisico blijft bestaan (e-grond). In de maatregel heeft verweerder ten aanzien van deze a-, b- en e-gronden als gronden [4] vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.
n. zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van de vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Wet;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden.
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid.
r. geen vaste woon en verblijfsplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Ook heeft verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring overwogen dat eiser (1) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag alleen heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (c-grond).
3. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de maatregel van vreemdelingenbewaring is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vw. De c-grond staat weliswaar niet aangekruist, maar is wel toegelicht in de maatregel van bewaring. De grondslag onder e van dit artikel heeft verweerder laten vallen. Daarnaast heeft verweerder ten aanzien van de a- en b-grond, grond n laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel ten grondslag ligt.
4. Eiser betwist de a-grond en ten aanzien van de daarvoor vereiste gronden de grond c. Eiser begrijpt dat er verwarring is geweest omtrent zijn identiteit en nationaliteit, maar meent dat deze vast zijn komen te staan nadat de Marokkaanse autoriteiten door middel van een aan eiser verstrekt lp [5] zijn identiteit en nationaliteit hebben bevestigd. Ook betwist eiser grond s. Eiser werkt bij [bedrijf] en heeft daarmee geld kunnen sparen. Eiser heeft hiermee voldoende middelen om in zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien.
5. Voor de a- en de b-grond is het voldoende dat zich ten minste twee van de gronden uit artikel 5.6, tweede lid, Vb voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gronden c en s terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de aan eiser afgegeven lp door de Marokkaanse autoriteiten niet maakt dat zijn identiteit daarmee is aangetoond, maar dat hooguit zijn nationaliteit hiermee bekend is geworden. Verweerder heeft in dit kader terecht overwogen dat eiser verschillend heeft verklaard over zijn identiteit en eventuele bestaande identiteitsdocumenten die dit onderbouwen, maar tot op heden geen identificerende documenten heeft overgelegd. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser onder verschillende namen bekend staat. Dat er een lp is verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten doet daarom niet af aan de feitelijke juistheid van grond c. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt. Dat eiser bij [bedrijf] werkt is niet nader onderbouwd en eisers verklaringen dat hij over €10.000 beschikt die bij iemand thuis zou liggen, heeft hij niet nader geconcretiseerd. Ook grond s is daarmee feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden zijn niet door eiser betwist. De rechtbank is van oordeel dat ook deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a en b van de Vw te dragen.
6. Gelet op het voorgaande hoeft de rechtbank niet meer te beoordelen of de maatregel van vreemdelingenbewaring ook kan worden gebaseerd op artikel 59b, eerste lid aanhef en onder c, van de Vw. Eén vreemdelingenbewaringsgrondslag is namelijk al voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring op te kunnen baseren.
Verzwaarde belangenafweging
7. Eiser stelt dat hij in het verleden ook reeds meerdere keren in bewaring is gesteld. In de maatregel is daar geen rekening mee gehouden en heeft geen verzwaarde belangenafweging plaatsgevonden, terwijl dit wel vereist is.
8. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder is pas gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken na een periode van zes maanden van ononderbroken detentie. Het kan daarbij gaan om zowel (opvolgende en verschillende) vreemdelingrechtelijke detentiemaatregelen, als om strafrechtelijke detentie. [6] Niet is gebleken dat daarvan bij eiser op dit moment sprake is. Voor zover eiser met het voorgaande heeft bedoeld een beroep te doen op het arrest Aroja [7] , is de rechtbank van oordeel dat de daarin genoemde situatie niet op eiser van toepassing is omdat eiser in bewaring is gesteld op grond van artikel 59b van de Vw en de Terugkeerrichtlijn [8] thans niet aan de orde is.
Lichter middel
9. Eiser voert verder aan dat de aan hem opgelegde vreemdelingenbewaring en de eerder opgelegde strafdetentie hem zwaar vallen en dat hij zijn asielaanvraag in vrijheid wil afwachten.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de maatregel voldoende heeft gemotiveerd dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarbij heeft verweerder ook nog kunnen betrekken dat uit de aanwezige gronden blijkt dat ten aanzien van eiser een risico bestaat op onderduiken. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor de toepassing van een lichter middel.
Ambtshalve toets
11. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 juli 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Eiser staat tevens bekend onder de [alias] .
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Artikel 5.6, tweede lid, van de Vb.
5.Laissez-passer.
6.Zie bijvoorbeeld uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 mei 2024, ECLI:NL:2024:2245.
7.Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.
8.Richtlijn 2008/115/EG.