ECLI:NL:RBDHA:2026:20181

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL24.12370
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening 810/2009Art. 7:3 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende motivering sociale en economische binding

Eiser, een Iraanse gepensioneerde piloot, vroeg op 31 mei 2023 een visum voor kort verblijf aan om zijn zoons en kleinkinderen in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af wegens twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Iran. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de sociale binding van eiser met Nederland sterker zou zijn dan met Iran, mede omdat eiser al tien jaar feitelijk gescheiden is van zijn echtgenote die in Nederland woont, en zijn zoons ruim meerderjarig zijn met eigen gezinnen.

Ook de economische binding met Iran, bestaande uit een Iraanse pensioenuitkering en onroerende zaken, is volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd door verweerder als onvoldoende sterk. De rechtbank wijst erop dat vanwege sancties tegen Iran en de aard van de pensioenuitkering nader onderzoek en motivering vereist was. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen van eiser en zijn referent in bezwaar.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het visum alsnog verleend moet worden of de weigering deugdelijk gemotiveerd. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van het visum wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12370

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 20 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit (kennelijk) ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder is verschenen [naam] (zoon van eiser; tevens referent).

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 31 mei 2023 heeft hij een visum voor kort verblijf aangevraagd. Hij wil naar Nederland komen om zijn twee zoons (onder wie referent) en kleinkind te bezoeken. Bij het primaire besluit heeft verweerder de visumaanvraag afgewezen.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag van eiser gehandhaafd. Hieraan heeft verweerder als weigeringsgrond ten grondslag gelegd dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten.
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte twijfelt over zijn tijdige terugkeer naar Iran. Hij stelt een sterke economische binding (in de vorm van een pensioenuitkering, twee woningen en twee auto’s) en sociale binding (in de vorm van broers, zussen en kennissen) met Iran te hebben. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.
Het oordeel van de rechtbank
Twijfel over tijdige terugkeer
4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit als enige weigeringsgrond ten grondslag gelegd dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten.
4.1.
Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b van Verordening 810/2009 (Visumcode) wordt een visum geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
4.3.
Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren naar het land van herkomst mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van die vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
4.4.
Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat een tijdige terugkeer van eiser naar Iran onvoldoende is gewaarborgd. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat eiser, vanwege zij echtgenote en twee zoons die in Nederland wonen, een sterkere sociale binding heeft met Nederland dan met Iran. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat eiser in 2014 een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij zijn echtgenote heeft aangevraagd. Verder is volgens verweerder niet gebleken van een zodanige economische binding met Iran dat tijdige terugkeer is gewaarborgd. In dit verband heeft verweerder gesteld dat eiser zijn Iraanse pensioenuitkering ook in het buitenland kan ontvangen en zijn onroerende zaken in Iran ook vanuit het buitenland kan verkopen, verhuren of beheren.
4.5.
Over de sociale binding van eiser met Iran overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit een vergelijking gemaakt tussen eisers sociale binding met Nederland en zijn sociale binding met Iran en heeft gesteld dat eisers sociale binding met Nederland sterker is, omdat zijn echtgenote en twee zoons hier wonen. Eiser heeft echter toegelicht dat hij al tien jaar niet meer samen is met zijn echtgenote, maar dat de wettelijke scheiding niet heeft kunnen plaatsvinden vanwege juridische problemen. Hoewel eiser dus geen echtscheidingsdocumenten heeft overgelegd ziet de rechtbank, mede gelet op de verklaring van referent ter zitting dat zijn ouders al tien jaar uit elkaar zijn, het feit dat de echtgenote al meer dan tien jaar in Nederland woont terwijl eiser al die tijd in Iran heeft gewoond en de omstandigheid dat eiser op de ‘vragenlijst visumaanvraag’ zijn echtgenote niet heeft vermeld als familielid, geen aanleiding om te twijfelen aan eisers verklaring dat hij en zijn echtgenote al lange tijd feitelijk zijn gescheiden. Gelet hierop heeft verweerder niet kunnen aannemen dat eiser op grond van zijn (ex-)echtgenote een sociale binding heeft met Nederland. Verweerder kan wel worden gevolgd in zijn standpunt dat eiser op grond van zijn twee zoons enige sociale binding heeft met Nederland. Maar verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom dit een sterke sociale binding met Nederland oplevert. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de zoons ruim meerderjarig zijn (geboortejaren 1984 en 1985), hun eigen gezinnen hebben in Nederland, al meer dan tien jaar in Nederland wonen en eiser in die tijd slechts één keer (fysiek) hebben gezien. Dit alles duidt niet zonder meer op nauwe banden. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers sociale binding met Nederland sterker is dan zijn sociale binding met Iran, welke binding wordt gevormd door zijn broers en zussen met wie eiser stelt wel nauwe banden te hebben.
4.6.
Over de economische binding van eiser met Iran overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiser, na een carrière als piloot bij het Iraanse leger, gepensioneerd is en in Iran een pensioenuitkering ontvangt van de Armed Forces Retirement Organization. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat dit geen voldoende sterke economische binding met Iran oplevert, omdat eiser zijn pensioenuitkering ook kan ontvangen als hij in Nederland verblijft. Hoewel de tegenwerping dat een vreemdeling zijn buitenlandse pensioen ook in Nederland kan ontvangen in het algemeen wellicht houdbaar is, ligt dat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval anders. Het gaat hier namelijk om Iran, dat is aangewezen als ‘sanctieland’ waardoor er aanzienlijke beperkingen gelden op (onder andere) giraal betaalverkeer, en daarnaast gaat het ook nog eens om een pensioen dat wordt betaald door een Iraanse overheidsinstantie, althans een instantie die verbonden is aan de Iraanse overheid (en zelfs het leger). Onder deze omstandigheden lag het op de weg van verweerder om zijn tegenwerping dat eiser zijn pensioenuitkering in Nederland kan ontvangen nader te motiveren. Dat geldt, om dezelfde reden, ook voor verweerders tegenwerping dat eiser zijn onroerende zaken waarvan hij in Iran feitelijk eigenaar is vanuit Nederland kan verkopen, verhuren en/of beheren. Een dergelijke motivering ontbreekt in het bestreden besluit. Het gevolg hiervan is dat verweerder in het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers Iraanse pensioenuitkering en zijn onroerende zaken niet een voldoende sterke economische binding van hem met Iran opleveren.
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met Iran heeft om zijn tijdige terugkeer naar Iran voldoende gewaarborgd te achten. Het standpunt van verweerder dat de onder 4. weergegeven weigeringsgrond zich voordoet, berust dan ook niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.
Horen in bezwaar
5. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden afgezien van het horen van een belanghebbende indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op wat er hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet van het horen van eiser en/of referent heeft kunnen afzien.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:3 en 7:12 van de Awb.
7. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder de hiervoor geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om te onderzoeken of er zich één of meerdere weigeringsgronden voordoen en, als hij meent dat dit het geval is, dit deugdelijk te motiveren. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de aard van de gebreken, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar binnen een termijn van zes weken. In die nieuwe beslissing dient verweerder alsnog het gevraagde visum voor kort verblijf te verlenen of zijn weigering om het gevraagde visum voor kort verblijf te verlenen alsnog deugdelijk te motiveren.
8. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Omdat eiser is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, hoeft verweerder niet het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.