ECLI:NL:RBDHA:2026:20226

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.31566
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 32 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening faciliterend visum wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster, verblijvend in Sierra Leone met haar minderjarige dochter, heeft een faciliterend visum aangevraagd dat door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen. Zij maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat zij gedurende de bezwaarperiode behandeld zou worden alsof zij in het bezit was van het visum.

De voorzieningenrechter beoordeelde dat het verstrekken van een visum feitelijk geen voorlopige maatregel is, omdat het onomkeerbare gevolgen heeft. Daarom kan een dergelijke voorziening alleen in zeer bijzondere omstandigheden worden toegekend, namelijk bij een zwaarwegend spoedeisend belang en twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit.

Verzoekster stelde dat zij de enige verzorger is van haar dochter, die in Sierra Leone niet veilig zou zijn vanwege het risico op vrouwelijke genitale verminking, en dat zij op 25 juli 2026 zou vliegen. De voorzieningenrechter vond echter dat verzoekster onvoldoende had onderbouwd dat haar dochter niet veilig kon verblijven en dat de vluchtdatum niet doorslaggevend was, omdat deze verzet kon worden.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om een faciliterend visum te verkrijgen is afgewezen wegens het ontbreken van een zwaarwegend spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31566

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum. Bij besluit van 20 april 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoekster afgewezen.
1.1.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat de minister verzoekster gedurende de bezwaarperiode behandelt alsof zij in het bezit is van het gevraagde visum. Dat zou betekenen dat verzoekster Nederland kan inreizen en met haar minderjarige dochter kan verblijven.
1.2.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek tot voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemprocedure niet. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoekster verblijft samen met haar minderjarige Nederlandse dochter in Sierra Leone. Ze heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum. De minister heeft de visumaanvraag afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. [2]
Wat is de strekking van het verzoek?
4. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat de minister verzoekster gedurende de bezwaarperiode behandelt alsof zij in het bezit is van het gevraagde visum. Dat zou betekenen dat verzoekster Nederland kan inreizen en met haar minderjarige dochter kan verblijven. Subsidiair verzoekt zij de voorzieningenrechter de minister op te dragen een visum dan wel passend reisdocument te verstrekken waarmee zij Nederland kan inreizen. Meer subsidiair verzoekt zij de voorzieningenrechter een andere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend acht.
Toetsingskader
5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster met haar verzoek om een voorlopige voorziening beoogt dat de minister wordt opgedragen haar in het bezit te stellen van een visum dan wel een reisdocument. Het verstrekken van een visum dan wel reisdocument heeft feitelijk geen voorlopige karakter, omdat verzoekster hiermee Nederland zal kunnen inreizen en daarmee de feitelijke situatie ontstaat die verzoekster met haar visumaanvraag heeft beoogd, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening zijn daarom onomkeerbaar. De voorzieningenrechter wijst erop dat om die reden alleen in zeer bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat om een dergelijk verzoek om voorlopige voorzieningen toe te wijzen. Daarvoor is alleen aanleiding in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding tot het belang van de minister bij het handhaven van de afwijzing van de aanvraag zo onevenredig zijn, dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Zo’n vergaande beslissing is echter alleen gerechtvaardigd als een zwaarwegend spoedeisend belang daarom vraagt en als er sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Oordeel van de voorzieningenrechter
6. Verzoekster voert aan dat zij een zwaarwegend spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Zij verblijft momenteel met haar minderjarige Nederlandse dochter in Sierra Leone en zij is de enige feitelijke verzorger van haar dochter. Haar dochter is volgens verzoekster daarom van haar afhankelijk en kan haar rechten als Unieburger niet daadwerkelijk uitoefenen indien verzoekster de beslissing op bezwaar moet afwachten. Daar komt bij dat verzoekster haar dochter in Sierra Leone niet adequaat kan beschermen tegen het risico op vrouwelijke genitale verminking, waardoor iedere verdere vertraging van hun komst naar Nederland de onzekerheid en kwetsbare positie van haar dochter vergroot. Bovendien zal zij op 25 juli 2026 met een geplande vlucht naar Nederland afreizen.
7. Het betoog van verzoekster slaagt niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken van een zwaarwegend spoedeisend belang waardoor het gerechtvaardigd is om een voorlopige voorziening met onomkeerbare gevolgen toe te wijzen. Daarbij is van belang dat verzoekster en haar minderjarige dochter momenteel samen in Sierra Leone verblijven. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster het belang van haar dochter zwaar laat wegen, maar verzoekster heeft onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd dat haar dochter in Sierra Leone niet veilig kan verblijven totdat op het bezwaar is beslist. Dat verzoekster een vlucht heeft geboekt voor 25 juli 2026 maakt dit niet anders. Immers gesteld noch gebleken is dat verzoekster deze vlucht niet naar een latere datum kan verzetten of een andere vlucht kan boeken. Aan de vraag of sterk moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit komt de voorzieningenrechter dan ook niet toe.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 32, onder a, sub ii van de Visumcode.