ECLI:NL:RBDHA:2026:20238

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.18676 en NL26.18678
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 9 DublinverordeningBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluiten in vreemdelingenrecht wegens gezinsbelang

Verzoekers hebben in mei 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvragen in maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoekers internationale bescherming genieten in andere EU-lidstaten (Malta en Frankrijk). Hun minderjarige dochter, geboren in Nederland, heeft hier internationale bescherming.

Verzoekers betwisten de besluiten en vragen om een voorlopige voorziening. De minister stelt dat het gezin bijeen kan blijven via een instemmingsverklaring op grond van artikel 9 Dublinverordening Pro, maar verzoekster heeft hiermee niet ingestemd. De minister vindt dat het belang van het kind niet wordt geschaad omdat het gezin kan meereizen naar de lidstaat waar zij bescherming genieten.

De voorzieningenrechter overweegt dat het niet toewijzen van de voorziening kan leiden tot onomkeerbare gevolgen voor het gezin. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen, de besluiten geschorst en verzoekers mogen in Nederland blijven totdat op hun beroepen is beslist. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de terugkeerbesluiten en staat verzoekers toe in Nederland te blijven totdat op hun beroepen is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.18676 en NL26.18678

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2026 in de zaken tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer 1], verzoeker

[verzoekster],v-nummer: [nummer 2], verzoekster
verzoekers
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. Verzoekers hebben op 30 mei 2024 aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met de bestreden besluiten van 26 maart 2026 deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. Verzoekers verblijven samen met hun minderjarige dochter in Nederland. De minister stelt zich in de bestreden besluiten op het standpunt dat verzoekers internationale bescherming hebben in andere lidstaten van de Europese Unie. Zo heeft verzoeker sinds 2013 internationale bescherming verkregen in Malta en verzoekster sinds 2023 in Frankrijk. Volgens de minister moeten verzoekers dan ook terugkeren naar die lidstaten. Hun minderjarige dochter is in Nederland geboren en heeft daarom in Nederland internationale bescherming gekregen. De minister stelt zich verder op het standpunt dat voldoende mogelijkheden zijn geboden om het gezin bijeen te houden. Zo is verzoekers de mogelijkheid geboden om door middel van een instemmingsverklaring op grond van artikel 9 van Pro de Dublinverordening ervoor te zorgen dat het gezin bij elkaar kan blijven. Omdat verzoekster hiermee niet heeft ingestemd, acht de minister de eventuele scheiding van het gezin niet aan hem toe te rekenen. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat het belang van het kind niet wordt geschaad, omdat zij met haar ouders kan meereizen naar een lidstaat waar zij internationale bescherming genieten.
4. In geschil is of verzoekers vanwege het belang van hun minderjarige dochter en hun recht op gezinsleven in Nederland mogen blijven of dat zij moeten terugkeren naar de lidstaat waar zij zelf internationale bescherming genieten. Volgens verzoekers heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het belang van het kind, is artikel 9 van Pro de Dublinverordening onjuist toegepast en maken zij mogelijk aanspraak op een afgeleid verblijfsrecht. Daarnaast voeren zij aan dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of het gezin daadwerkelijk toegang heeft tot Frankrijk en Malta en of zij daar hun gezinsleven kunnen uitoefenen.
5. Deze rechtsvragen zullen in de beroepen van verzoekers worden behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. Die uitspraak moet worden afgewacht. Het is niet bekend wanneer deze uitspraak wordt gedaan, zodat het gelet op de termijnen niet wenselijk is om in deze voorlopige voorzieningenprocedure de uitspraak af te wachten.
6. De voorzieningenrechter beperkt zich daarom tot een afweging van de belangen van verzoekers en de minister in het kader van de gevraagde voorlopige voorziening. Toewijzing van het verzoek acht de voorzieningenrechter niet zeer ingrijpend. De gevraagde voorzieningen houden alleen in dat verzoekers de behandeling van hun beroepen in Nederland mogen afwachten. Het niet treffen van de voorziening zou aan de andere kant kunnen betekenen dat verzoeker aan Malta en verzoekster aan Frankrijk wordt overgedragen. Niet is uitgesloten dat dit onomkeerbare gevolgen voor het gezin kan hebben. Onder deze omstandigheden kent de voorzieningenrechter aan het belang van verzoekers om de beslissingen op hun beroep in Nederland af te mogen wachten doorslaggevend gewicht toe. De voorzieningenrechter zal daarom de verzoeken om een voorlopige voorziening toewijzen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe, schorst de bestreden besluiten en bepaalt dat verzoekers zich niet naar Frankrijk dan wel Malta dienen te begeven totdat op de beroepen tegen de bestreden besluiten is beslist.
7.1.
De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter beschouwt de zaken van verzoekers vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend. [1]

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat de bestreden besluiten worden geschorst en dat verzoekers zich niet naar Frankrijk dan wel Malta dienen te begeven totdat is beslist op de beroepen;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Volgens artikel 3 van Pro het besluit proceskosten bestuursrecht.