ECLI:NL:RBDHA:2026:20244
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onjuiste wettelijke grondslag en toekenning schadevergoeding
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 7 juli 2026. Eiser had op 16 juni 2026 een asielaanvraag ingediend die op 3 juli 2026 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank stelde vast dat de maatregel van vreemdelingenbewaring was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, maar dat deze grondslag onjuist was omdat de asielprocedure nog niet was afgerond en de rechtsmiddelentermijn nog liep.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie (arrest Gnandi en beschikking C., J. en S.) waarin is bepaald dat de terugkeerrichtlijn niet verhindert dat een terugkeerbesluit wordt genomen voordat het beroep tegen de afwijzing van een asielverzoek is afgerond, mits het rechtsmiddel doeltreffend is en de gevolgen van het besluit worden geschorst. In deze zaak was de asielbeschikking opgeschort tot de termijn voor beroep was verstreken, en eiser had tijdig beroep ingesteld.
Gelet hierop oordeelde de rechtbank dat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het moment van oplegging onrechtmatig was. De rechtbank wees het beroep toe, beval de onmiddellijke opheffing van de maatregel en kende een schadevergoeding toe van €1.200 voor tien dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €1.868 aan eiser toegekend, te betalen door de minister.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding en proceskosten toegekend.