ECLI:NL:RBDHA:2026:20244

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37670
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onjuiste wettelijke grondslag en toekenning schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 7 juli 2026. Eiser had op 16 juni 2026 een asielaanvraag ingediend die op 3 juli 2026 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank stelde vast dat de maatregel van vreemdelingenbewaring was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, maar dat deze grondslag onjuist was omdat de asielprocedure nog niet was afgerond en de rechtsmiddelentermijn nog liep.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie (arrest Gnandi en beschikking C., J. en S.) waarin is bepaald dat de terugkeerrichtlijn niet verhindert dat een terugkeerbesluit wordt genomen voordat het beroep tegen de afwijzing van een asielverzoek is afgerond, mits het rechtsmiddel doeltreffend is en de gevolgen van het besluit worden geschorst. In deze zaak was de asielbeschikking opgeschort tot de termijn voor beroep was verstreken, en eiser had tijdig beroep ingesteld.

Gelet hierop oordeelde de rechtbank dat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het moment van oplegging onrechtmatig was. De rechtbank wees het beroep toe, beval de onmiddellijke opheffing van de maatregel en kende een schadevergoeding toe van €1.200 voor tien dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €1.868 aan eiser toegekend, te betalen door de minister.

Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding en proceskosten toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37670

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De maatregel van vreemdelingenbewaring is gebaseerd op een onjuiste grondslag. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van deze maatregel en kent een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring
3. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de maatregel van vreemdelingenbewaring is gebaseerd op een onjuiste grondslag.
3.1.
In het arrest Gnandi [2] heeft het Hof van Justitie onder meer geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn [3] er niet aan in de weg staat dat over een derdelander die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend een terugkeerbesluit wordt genomen zodra dit verzoek is afgewezen zonder de uitkomst van het beroep tegen de afwijzing in rechte af te wachten. Voorwaarde daarbij is wel dat de betrokken lidstaat waarborgt dat het rechtsmiddel tegen het besluit waarbij dat verzoek is afgewezen ten volle doeltreffend is. [4] Daarvoor is onder meer vereist dat alle gevolgen van het besluit worden geschorst gedurende de rechtsmiddelentermijn. In de beschikking C., J. en S. neemt het Hof van Justitie zijn overwegingen uit het arrest Gnandi als uitgangspunt en oordeelt dat deze ook van toepassing zijn wanneer het asielverzoek van een vreemdeling is afgewezen als kennelijk ongegrond. [5]
3.2.
De rechtbank stelt vast dat de door eiser op 16 juni 2026 ingediende asielaanvraag bij besluit van 3 juli 2026 is afgewezen als kennelijk ongegrond. De werking van de asielbeschikking wordt opgeschort totdat de rechtsmiddelentermijn is verstreken. De termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van de hiervoor genoemde asielaanvraag verstreek op 10 juli 2026. Eiser heeft tegen dit besluit op 9 juli 2026 beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft niet al op 7 juli 2026 kunnen vaststellen dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had. Gelet hierop berust de maatregel van bewaring dus op een onjuiste wettelijke grondslag (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
3.2.
Gelet op het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het moment van oplegging onrechtmatig is. De beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
4.1.
Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor tien dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 10 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 1.200.
4.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. [6] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200 aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
2.HvJEU 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465.
3.Richtlijn 2008/115/EG.
4.ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1710.
5.HvJEU 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544.
6.In artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 is (onder meer) opgenomen dat, zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.