ECLI:NL:RBDHA:2026:20247

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.28496
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening mvv nareis minderjarige dochter wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor zijn minderjarige dochter. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat de identiteit van de dochter, de familierechtelijke relatie en het overlijden van de moeder niet aannemelijk waren gemaakt. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening zodat zijn dochter alvast naar Nederland kon reizen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de minderjarigheid van de dochter, de lange duur van de procedure en het belang van gezinshereniging. Echter, het verzoek om voorlopige voorziening heeft onomkeerbare gevolgen omdat de dochter met een mvv naar Nederland kan reizen voordat op bezwaar is beslist.

De rechter stelt dat alleen in zeer bijzondere omstandigheden een dergelijke voorziening kan worden toegewezen. In deze zaak is niet gebleken van zulke omstandigheden. Het belang van de minister bij het handhaven van het besluit weegt zwaarder dan het belang van verzoeker en zijn dochter om de voorlopige voorziening te krijgen. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor het verkrijgen van een mvv voor de minderjarige dochter wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden die onomkeerbare gevolgen rechtvaardigen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28496

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer 1], verzoeker mede namens zijn minderjarige dochter

[naam dochter], v-nummer: [nummer 2]
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 27 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor zijn minderjarige dochter [naam dochter]. Bij besluit van 12 mei 2026 heeft de minister de aanvraag afgewezen.
1.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat zijn minderjarige dochter in het bezit wordt gesteld van een mvv zodat zij Nederland kan inreizen en de beslissing op bezwaar in Nederland mag afwachten.
1.2.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek tot voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemprocedure niet. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker heeft van 1 juli 2021 tot 1 juli 2026 een asielvergunning gekregen en verblijft in Nederland. Op 27 oktober 2023 heeft hij aanvragen ingediend voor mvv’s in het kader van nareis voor zijn gezinsleden. De minister heeft de aanvragen van twee gezinsleden ingewilligd. De aanvraag voor de minderjarige dochter [naam dochter] heeft de minister afgewezen. Aan de afwijzing heeft de minister ten grondslag gelegd dat de identiteit van de minderjarige dochter, de familierechtelijke relatie tussen verzoeker en zijn minderjarige dochter en het overlijden van de achterblijvende ouder (moeder) niet aannemelijk zijn gemaakt. De minister heeft daarbij betrokken dat de overgelegde geboorteakte van de minderjarige dochter door Bureau Documenten negatief is beoordeeld. Volgens de minister kan daarom niet zonder meer worden uitgegaan van de inhoudelijke juistheid van haar paspoort, omdat voor de verkrijging daarvan de geboorteakte als basisdocument is gebruikt. Daarnaast kan volgens de minister geen waarde worden gehecht aan de gezinsledenlijst, omdat geen vertaling is overgelegd die aan de gestelde voorwaarden voldoet. De minister heeft verder geen aanleiding gezien om verzoeker en zijn minderjarige dochter het voordeel van de twijfel te geven, omdat sprake is van een contra-indicatie. Omdat de identiteit en de familierechtelijke relatie niet aannemelijk zijn gemaakt, heeft de minister verder geen inhoudelijke beoordeling verricht op grond van artikel 8 van Pro het EVRM.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
4. Verzoeker voert aan dat hij spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Door de afwijzing van de mvv-aanvraag blijft zijn minderjarige dochter nog langer van hem gescheiden. Daarbij wijst verzoeker erop dat de procedure inmiddels bijna drie jaar duurt en benadrukt hij dat zijn dochter minderjarig is. Ook voert hij aan dat haar paspoort inmiddels is verlopen en dat haar visum voor Thailand, waar zij momenteel verblijft, niet meer kan worden verlengd.
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de minderjarigheid van [naam dochter], de duur van de procedure en het belang van gezinshereniging voldoende aanleiding bestaat om een spoedeisend belang aan te nemen.
Moet de minderjarige dochter van verzoeker in het bezit worden gesteld van een mvv?5. Verzoeker betoogt dat zijn belang en dat van zijn minderjarige dochter bij gezinshereniging zwaarder moet wegen dan het belang van de minister bij onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit. Door de afwijzing van de aanvraag blijft de scheiding tussen vader en dochter voortduren, terwijl de procedure inmiddels bijna drie jaar duurt. Volgens verzoeker is iedere verdere vertraging schadelijk voor zijn minderjarige dochter en kunnen de gevolgen daarvan achteraf niet volledig worden hersteld.
5.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker met zijn verzoek om een voorlopige voorziening feitelijk beoogt dat zijn minderjarige dochter alsnog in het bezit wordt gesteld van een mvv en naar Nederland kan reizen. Een dergelijke voorziening heeft geen voorlopig karakter, omdat de minderjarige dochter van verzoeker hiermee Nederland zal kunnen inreizen en daarmee de feitelijke situatie ontstaat die verzoeker met zijn mvv-aanvraag heeft beoogd, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening zijn daarom onomkeerbaar. De voorzieningenrechter wijst erop dat om die reden alleen in zeer bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat om een dergelijk verzoek om voorlopige voorzieningen toe te wijzen. Daarvoor is alleen aanleiding in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding tot het belang van de minister bij het handhaven van de afwijzing van de aanvraag zo onevenredig zijn, dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht.
5.2.
De voorzieningenrechter beperkt zich in deze uitspraak tot een belangenafweging. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken van een zodanig bijzondere omstandigheid dat het daardoor gerechtvaardigd is om een voorlopige voorziening met onomkeerbare gevolgen toe te wijzen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker een zwaarwegend belang heeft bij de hereniging met zijn (gestelde) minderjarige dochter en dat het belang van het kind daarbij een belangrijke rol speelt. Daarbij is ook van belang dat de scheiding inmiddels geruime tijd duurt. Daar staat echter tegenover dat verzoeker en zijn (gestelde) minderjarige dochter al langere tijd niet feitelijk samen verblijven en dat de minister nog geen inhoudelijke beslissing op bezwaar heeft genomen. In bezwaar zal moeten worden beoordeeld of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit van verzoekers minderjarige dochter, haar gestelde overleden moeder en de familierechtelijke relatie tussen verzoeker en zijn minderjarige dochter niet aannemelijk zijn gemaakt. De voorzieningenrechter acht het niet aangewezen om vooruitlopend op die beoordeling een voorziening te treffen die feitelijk leidt tot het doel van de mvv-aanvraag. Het belang van verzoeker en zijn minderjarige dochter bij gezinshereniging wordt niet miskend. Dit belang is echter onvoldoende om in deze fase van de procedure een voorziening met onomkeerbare gevolgen toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.