ECLI:NL:RBDHA:2026:20252

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.13258
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.G. Noordhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vw 2000Art. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens internationale bescherming in Cyprus

De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van het feit dat eiser al internationale bescherming geniet in Cyprus, gebaseerd op Eurodac-onderzoek. Eiser betwist dit en stelt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de actuele beschermingsstatus en de mogelijkheid tot terugkeer naar Cyprus.

De rechtbank oordeelt dat de informatie waarop het besluit is gebaseerd onvoldoende actueel en duidelijk is, aangezien de laatste gegevens van de Cypriotische autoriteiten dateren van ruim 17 maanden voor het besluit en de subsidiaire beschermingsstatus van eiser op 10 november 2024 zou aflopen. Hierdoor is er sprake van een gebrek in de besluitvorming.

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht geeft de rechtbank de minister de gelegenheid dit gebrek te herstellen door nader onderzoek te doen naar de actuele verblijfsstatus van eiser. De rechtbank schorst het bestreden besluit tot de einduitspraak en houdt verdere beslissingen aan, waaronder over proceskosten. Andere beroepsgronden worden in deze tussenuitspraak niet behandeld.

Uitkomst: De rechtbank schorst het bestreden besluit en geeft de minister de gelegenheid het gebrek in het besluit te herstellen door nader onderzoek naar de actuele beschermingsstatus van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13258 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N.L. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld, samen met eisers verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. [2] . Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Met het bestreden besluit heeft de minister eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser al internationale bescherming heeft in Cyprus. Dit heeft de minister opgemaakt uit een onderzoek in Eurodac.
2. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar eisers beschermingsstatus in Cyprus. De minister moet zich ervan vergewissen dat deze bescherming nog steeds bestaat en dat de vreemdeling daadwerkelijk kan terugkeren naar de betreffende lidstaat. Eiser heeft verklaard dat zijn laatste contact met de Cypriotische autoriteiten dateert van november 2023. De minister heeft nagelaten nader onderzoek te verrichten naar de actuele verblijfsrechtelijke status van eiser en naar de vraag of eiser daadwerkelijk toegang zal krijgen tot het grondgebied van Cyprus. Door zonder nader onderzoek te veronderstellen dat eiser nog steeds internationale bescherming geniet en tot Cyprus zal worden toegelaten, heeft de minister volgens eiser het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
3. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [3] mag de minister in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat. Daarvoor is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Verder moet uit de informatie duidelijk worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Als het resultaat uit het Eurodac-onderzoek onvoldoende recent is of onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling bevat, moet de minister nader onderzoek doen naar de vraag of de vreemdeling nog steeds over een door de desbetreffende lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf beschikt.
4. De beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank is de informatie uit Eurodac, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, onvoldoende actueel en duidelijk. Deze dateert namelijk van 28 oktober 2023, dat is ruim twee jaar en vier maanden voor het bestreden besluit. De laatste informatie die de minister heeft ontvangen van de Cypriotische autoriteiten dateert van 27 september 2024, ruim 17 maanden voor het bestreden besluit. De Cypriotische autoriteiten lieten in dat bericht voor zover relevant weten: “(…) [W]e would like to inform you that the person has applied for International Protection in Cyprus and has been granted a Subsidiary Protection status. His residence permit is valid until 10/11/2024.” Mede gelet op de in het bericht van de Cypriotische autoriteiten vermelde afloop van de subsidiaire beschermingsstatus op 10 november 2024, was er voor de minister aanleiding om nader onderzoek in te stellen naar de huidige verblijfsstatus van eiser. Dit levert een gebrek in de besluitvorming op.
5. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, kan de minister bij de Cypriotische autoriteiten navraag doen naar de actuele beschermingsstatus van eiser dan wel een actueel onderzoek in Eurodac doen.
6. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
7. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8. Eiser voert tegen het bestreden besluit nog een aantal andere gronden dan de in overweging 2 genoemde, aan. Die zien op de situatie van statushouders in Cyprus en de vraag of eiser een risico loopt om bij terugkeer naar Cyprus in een onmenselijke situatie terecht te komen. De rechtbank bespreekt deze gronden nog niet in deze tussenuitspraak. Dit heeft ermee te maken dat deze rechtbank en zittingsplaats voornemens is om deze door een meervoudige kamer te laten behandelen in een andere zaak van een vreemdeling die al bescherming geniet in Cyprus. De rechtbank zal niet op de uitkomst van die zaak vooruitlopen.
9. De rechtbank merkt hierbij nog op dat wat zij hiervoor heeft overwogen aanleiding geeft om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen en het bestreden besluit te schorsen tot de uitspraak op het beroep. Dit gebeurt in de uitspraak van vandaag op dat verzoek.
10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Om die reden neemt zij over de proceskosten en het griffierecht nu eveneens nog geen beslissing.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zoals dit artikel luidde tot 12 juni 2026.
2.Zaaknummer NL26.13259.
3.ABRvS 12 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3128, en ABRvS 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441.