ECLI:NL:RBDHA:2026:20261

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
09.265937.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 Wfz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid na bedreiging, wederspannigheid en belediging

Op 8 oktober 2025 bedreigde verdachte een politiebrigadier door tijdens een worsteling diens dienstwapen uit het holster te pakken. Tevens verzette hij zich met geweld tegen meerdere buitengewoon opsporingsambtenaren bij het controleren van zijn vervoersbewijs en het vaststellen van zijn identiteit. Daarnaast beledigde hij een medewerker van de Dienst Vervoer en Ondersteuning door hem in het gezicht te spugen.

De rechtbank nam diverse proces-verbalen en verklaringen in overweging, waaronder die van betrokken ambtenaren en de verdachte zelf. Uit het bewijs bleek dat verdachte zich agressief en gewelddadig gedroeg, waarbij hij onder meer een bodycam sloeg en probeerde het vuurwapen van een politieagent te grijpen.

Psychiatrisch onderzoek toonde aan dat verdachte leed aan een ernstige schizofreniespectrumstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, waardoor hij ten tijde van de feiten volledig psychotisch en ontoerekeningsvatbaar was. Zowel de psychiater als de GZ-psycholoog adviseerden ontslag van alle rechtsvervolging.

De rechtbank volgde dit advies en sprak verdachte vrij van strafbaarheid wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Tegelijkertijd verleende zij een zorgmachtiging voor zes maanden en hief de voorlopige hechtenis op zodra verdachte in een forensisch psychiatrische kliniek geplaatst kon worden.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid en krijgt een zorgmachtiging opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/265937-25
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
op dit moment gedetineerd in het penitentiair psychiatrisch centrum [regio].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 22 januari 2026, 16 april 2026 (beide pro forma) en 15 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. van den Boogert naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te Leiden [ambtenaar 1], brigadier bij politie Eenheid Den Haag en/of andere aanwezige politiecollega's en/of buitengewoon opsporingsambtenaren van de afdeling VEiligheid & Service heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door tijdens een worsteling in een kleine ruimte het dienstwapen van die [ambtenaar 1] zijn holster te pakken en in zijn hand te nemen;
2.
hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te Leiden, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen ambtenaren, [ambtenaar 2] (buitengewoon opsporingsambtenaar domein IV Openbaar Vervoer bij de NS) en/of [ambtenaar 3] (buitengewoon opsporingsambtenaar domein IV Openbaar Vervoer bij de NS), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten de controle van het vervoersbewijs van verdachte door weg te rennen van voornoemde ambtenaren en/of die ambtenaren vast te pakken en/of die ambtenaren te slaan en/of zich te bewegen in tegengestelde richting dan waarin de verbalisanten zich bewegen;
3.
hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te Leiden, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen ambtenaren, [ambtenaar 1], brigadier bij politie Eenheid Den Haag en/of [ambtenaar 4] (hoofdagent bij politie Eenheid Den Haag), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten bij het vaststellen van de identiteit van verdachte door middel van progis, door
- zijn arm en/of hand weg te trekken in tegengestelde richting dan waarin die [ambtenaar 1] verdachte wilde brengen om zijn vingerafdrukken vast te leggen, en/of
- een slaande beweging te maken richting die [ambtenaar 1] en/of met zijn handen en/of armen de bodycam van de schouder althans het lichaam van die [ambtenaar 1] te slaan;
4.
hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te Gouda, althans in Nederland opzettelijk iemand, te weten [aangever] (werkzaam bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning van DJI)door feitelijkheden heeft beledigd, door die [aangever] in het gezicht te spugen, in elk geval gedragingen van gelijke beledigende aard en/of strekking terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2025341773, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 79).
Voor feit 2:
1. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [ambtenaar 3], opgemaakt op 9 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 45):
Verdachte: [verdachte]
Op 8 oktober 2025 was ik aangesteld in domein IV Openbaar vervoer, te station Leiden Centraal met mijn collega buitengewoon opsporingsambtenaar [ambtenaar 2].
De man probeerde bij mij weg te lopen en ik heb de man gemaand om stil te staan. Ik vroeg de man om zijn vervoerbewijs. Ik vroeg aan de man of hij een identiteitsbewijs bij zich had. De man begon meteen van mij af te rennen. Ik heb een sprint ingezet achter de man en ik zag een burger de vluchtweg van de rennende man blokkeren, waardoor ik deze man kon vastpakken aan zijn rechterkant. Ondertussen was collega [ambtenaar 2] ook al gearriveerd en pakte de man vast bij zijn linkerarm. De man ging meteen in verzet en probeerde zich los te trekken met slaande bewegingen naar [ambtenaar 2] toe. Ik zag dat [ambtenaar 2] zijn rechterbeen zodanig kon plaatsen, waardoor we de man uit balans konden brengen en hebben hem op deze manier naar de grond toe gewerkt. De man lag met zijn buik op de grond en bleef zich verzetten, waarop collega [ambtenaar 2] de man heeft aangehouden.
2. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [ambtenaar 2], opgemaakt op 9 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 43-44):
Verdachte: [verdachte]
Omstreeks 22:19 uur was ik, verbalisant [ambtenaar 2], Buitengewoon opsporingsambtenaar aangesteld in het domein IV Openbaar Vervoer, belast met toezicht en handhaving op station Leiden Centraal samen met mijn collega [ambtenaar 3]. Ik zag mijn collega de man aanspreken en vroeg verder aan de vrouw wat de man nog meer had gedaan. Terwijl ik dit zei zie ik de man wegrennen van mijn collega en hoor ik mijn collega schreeuwen dat de man moest stoppen. Ik zie mijn collega de man van voor aan zijn rechterkant vastpakken en zeggen dat hij moest blijven staan. Ik pak de linkerkant van de man vast. Ik voelde dat hij zich wou los trekken van mijn grip en hij maakte een slaande beweging richting mij. Hierop heb ik mijn been voor die van hem gezet en hem een duw gegeven naar de grond. Op het moment dat hij op de grond lag hebben we zijn armen gestrekt om controle te krijgen.
Voor feiten 1 en 3:
3. Het proces-verbaal van bevindingen aanvullende verklaring van [ambtenaar 1], opgemaakt op 9 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 20-22):
Op 8 oktober 2025 was ik belast met de noodsurveillance in eenheid Den Haag, team gebied Leiden Midden.
Ik zei tegen de verdachte dat we zijn vingerafdrukken wilde controleren. Ik hoorde de verdachte: "no!" zeggen. Ik zag dat de verdachte vervolgens een slaande beweging maakte naar mijn bodycam die zich op mijn rechterschouder bevond. Ik zag dat deze van mijn kogelwerende vest werd afgeslagen en tegen de muur terecht kwam. Ik voelde dat de verdachte zich probeerde los te wurmen uit mijn greep. Ik voelde dat de verdachte met kracht en in een tegengestelde beweging bewoog van mijn handelen. Ik zag dat de handen van de verdachte naar mijn vest en mijn wapenkoppel gingen en dat hij probeerde om daar grip op te krijgen of iets te pakken. Ik hoorde collega [ambtenaar 4] om extra collega's erbij vragen. Ik zag dat de verdachte zijn linkerarm had los gewurmd en dat hij deze richting mijn vuurwapen probeerde te verplaatsen. Ik zag hem klauwende bewegingen maken naar het beenholster aan mijn rechterbeen. Terwijl ik de rechterarm beet had van de verdachte, zag ik opeens de linkerarm van de verdachte onder mijn lichaam vandaan komen. Ik zag tot mijn schrik mijn vuurwapen in zijn hand zitten. Ik zag dat de verdachte met zijn linkerhand het wapen beet had om een gedeelte van de kast van het pistool bij de trekker en de rest van zijn hand om de loop van het pistool had zitten. Ik zag dat de loop van het pistool schuin van mij afwees naar de zuil waar de Progis computer opstond. Ik heb vervolgens met luide stem geroepen "Pistool" en heb het pistool met kracht uit de hand van de verdachte geslagen. Ik heb vervolgens uiteindelijk met de collega's de verdachte kunnen boeien en in een ophoud kunnen plaatsen.
Nadat de verdachte weer onder controle was gebracht, drong het pas echt tot mij door hoe gevaarlijk deze situatie was geweest. Bij het wegslaan van het vuurwapen had het ook af kunnen gaan en mensen kunnen verwonden. Door deze gedachte ben ik zeer geschrokken.
4. Het proces-verbaal van bevindingen aanvullende verklaring van [ambtenaar 4], opgemaakt op 9 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 14-15):
Op 8 oktober 2025 was ik in dienst bij de politie Leiden-midden. Ik had nachtdienst met collega [ambtenaar 1].
Collega [ambtenaar 1] stond kort achter de aangehouden man om hem te helpen bij het afrollen van zijn vingers om zijn identiteit vast te stellen. Aan alles, verbaal en non-verbaal, zag ik dat de verdachte niet wenste mee te werken. Toen [ambtenaar 1] aan de verdachte vroeg om zijn vingertoppen op het apparaat te leggen hoorde ik hem "NO" zeggen. Ik zag dat de man met een slaande beweging de bodycam van de schouder van [ambtenaar 1] sloeg. Ik zag dat [ambtenaar 1] de verdachte beet pakte en hem naar de grond probeerde te werken. Ik ben op de benen van de man gaan zitten om hem te beletten op te staan. Ik zag dat de medewerkers van service en veiligheid van de NS ook de ruimte binnen kwamen om te helpen bij het onder controle brengen van de verdachte. Plotseling hoorde ik [ambtenaar 1] schreeuwen dat de verdachte zijn vuurwapen had gepakt en direct zag ik een vuurwapen door de ruimte vliegen. Kennelijk had de verdachte het vuurwapen van [ambtenaar 1] gepakt en was deze uit zijn handen geslagen. Ik moet er niet aan denken wat er gebeurd zou zijn als de verdachte het wapen zou hebben gebruikt.
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 15 juli 2026, voor zover inhoudende:
Ik heb het wapen gepakt omdat ik boos was. Ik deed het bewust. Ik wilde mij beschermen. Ik heb er niet goed over nagedacht.
Voor feit 4:
6. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever], opgemaakt op 10 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 52):
Ik ben werkzaam bij Dienst Vervoer en Ondersteuning. 10 oktober 2025 was ik op het arrestantencomplex te Gouda. Vanuit de gang waar de verhoren plaatsvinden zag ik een arrestant aankomen. De arrestant werd begeleid door twee collega's van arrestantenzorg. Op het moment dat hij ons naderde spuugde hij mij vol in mijn gezicht. Het spuug kwam op mijn voorhoofd en mijn haar terecht. Ik voel mij door deze gebeurtenis heel erg smerig. Ik voelde mij overrompeld. Terwijl ik dit vertel voel ik mij nog steeds heel erg smerig.
7. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 15 juli 2026, voor zover inhoudende:
Ik heb gespuugd.
3.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij op 8 oktober 2025 te Leiden [ambtenaar 1], brigadier bij politie
Eenheid Den Haag en andere aanwezige politiecollega's en buitengewoon
opsporingsambtenaren van de afdeling V
eiligheid & Service heeft bedreigd met enig
misdrijf tegen het leven gericht, door tijdens een
worsteling in een kleine ruimte het dienstwapen van die [ambtenaar 1] zijn holster te
pakken en in zijn hand te nemen;
2.
hij op 8 oktober 2025 te Leiden, zich met geweld, heeft verzet tegen ambtenaren, [ambtenaar 2] (buitengewoon
opsporingsambtenaar domein IV Openbaar Vervoer bij de NS) en [ambtenaar 3]
(buitengewoon opsporingsambtenaar domein IV Openbaar Vervoer bij de NS),
werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de
controle van het vervoersbewijs van verdachte door weg te rennen van voornoemde
ambtenaren en die ambtenaren te slaan
en zich te bewegen in tegengestelde richting dan waarin de verbalisanten zich
bewegen;
3.
hij op 8 oktober 2025 te Leiden, zich met geweld , heeft verzet tegen ambtenaar, [ambtenaar 1], brigadier bij politie
Eenheid Den Haag,
werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten bij
het vaststellen van de identiteit van verdachte door middel van progis,
door
- zijn arm en/of hand weg te trekken in tegengestelde richting dan waarin die
[ambtenaar 1] verdachte wilde brengen om zijn vingerafdrukken vast te leggen, en
- een slaande beweging te maken richting die [ambtenaar 1] en met zijn handen de bodycam van de schouder van die [ambtenaar 1] te slaan;
4.
hij omstreeks 8 oktober 2025 te Gouda opzettelijk
iemand, te weten [aangever] (werkzaam bij de Dienst Vervoer en
Ondersteuning van DJI) door feitelijkheden heeft beledigd, door die [aangever] in het
gezicht te spugen terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende of
ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was en dat hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was en dat hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport van psychiater [psychiater] van 3 april 2026. De psychiater stelt dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis, te weten een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornis. Daarnaast is sprake van een thans in remissie binnen de gestructureerde setting, stoornis in het gebruik van cannabis.
Uit de observaties in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC), eerdere consulten door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) en het onderzoek door de psychiater blijkt dat de verdachte ten tijde van de feiten aannemelijk verkeerde in een toestand van ernstige psychotische ontregeling. De psychotische stoornis, gekenmerkt door verminderde realiteitstoetsing, cognitieve desorganisatie en impulscontroleproblemen, heeft het oordeelsvermogen, de emotieregulatie en het vermogen tot gedragsregulatie van de verdachte in aanzienlijke mate beïnvloed. Zijn gedragingen tonen een patroon van ontremming, desorganisatie en een duidelijk gebrek aan inzicht in de gevolgen van zijn handelen. De verdachte was aannemelijk niet in staat het wederrechtelijke van zijn gedragingen te beseffen en zijn gedragskeuzevrijheid was volledig opgeheven door de psychose, waarbij sprake was van een grotendeels afwezigheid van realiteitstoetsingsvermogen en impulscontrole. Concluderend adviseert de psychiater de rechtbank om de tenlastegelegde feiten geheel niet aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het Pro Justitia rapport van GZ-psycholoog [psycholoog] van 24 juni 2026. De psycholoog stelt vast dat bij de verdachte sprake is van een schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Het gedrag van de verdachte kan volgens de psycholoog worden omschreven als ontremd, impulsief en gedesorganiseerd en volledig is gestuurd vanuit de psychose. Ook de psycholoog adviseert de rechtbank om de tenlastegelegde feiten geheel niet aan betrokkene toe te rekenen
Nu de conclusies en adviezen van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, legt de rechtbank die conclusies mede aan haar oordeel ten grondslag.
Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij ontoerekeningsvatbaar wordt geacht. De rechtbank acht de verdachte derhalve niet strafbaar en zal de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging. Dit betekent dat aan de verdachte geen straf kan worden opgelegd.
Zorgmachtiging
De rechtbank heeft aan verdachte in de zaak met rekestnummer C/09/705981 / FA RK 26/5292, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, Wfz voor de duur van zes maanden verleend.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop verdachte in het kader van de zorgmachtiging geplaatst wordt bij [zorginstantie].

6.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
ten aanzien van de feiten 2 en 3:
telkens: wederspannigheid;
ten aanzien van feit 4:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
- verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en
ontslaat verdachte van alle rechtsvervolgingter zake daarvan;
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop verdachte in het kader van de zorgmachtiging geplaatst kan worden in een kliniek met een forensisch psychiatrische afdeling of in een forensisch psychiatrische kliniek.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,
mr. C.M.A. de Koning, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. M. den Besten en B.J. Stil, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2026.