ECLI:NL:RBDHA:2026:20273

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38782
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 59c Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 44 Asiel- en migratiebeheerverordeningArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onmogelijkheid overdracht aan Malta

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist deze maatregel en vordert onder meer een schadevergoeding.

De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of overdracht aan Malta mogelijk is, gelet op recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uit deze jurisprudentie volgt dat overdracht aan Malta niet kan plaatsvinden zolang er geen duidelijkheid is over het risico op schending van fundamentele rechten. De minister kon dit niet weerleggen.

De rechtbank concludeert dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was omdat overdracht aan Malta niet mogelijk is en vreemdelingen niet in bewaring mogen worden gesteld in afwachting van een overdrachtsreactie. De maatregel wordt opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding van €880,- voor zeven dagen onrechtmatige bewaring, plus proceskosten van €1.868,- toegewezen.

De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier N. ter Horst op 17 juli 2026. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven en eiser krijgt schadevergoeding en proceskosten toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38782

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Neermawatie Nandoe),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 11 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen. [3] Van die mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt als het risico bestaat dat de vreemdeling onderduikt of wanneer de bewaring noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De beslissing om een vreemdeling in bewaring te stellen geschiedt op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. [4] De vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. [5]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Ambtshalve beoordeling [6]
5. Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000, omdat uit Eurodac is gebleken dat hij op 16 maart 2020 in Malta asiel heeft aangevraagd.
5.1.
De rechtbank heeft ter zitting ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of er wel vreemdelingen worden overgedragen aan Malta. Dit gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaruit volgt dat er niet op voorhand van uit kan worden gegaan dat na een overdracht aan Malta geen reëel risico op, onder meer, een schending van artikel 3 en Pro 5 van het EVRM zal ontstaan en dat vreemdelingen niet naar Malta mogen worden overgedragen zolang die duidelijkheid er niet is. [7] De minister heeft gereageerd dat het hem niet bekend is dat er niet wordt overgedragen en dat in de nog te volgen overdrachtsprocedure zal worden onderzocht of er reden is om dit niet te doen.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de minister niet eerst bij het nemen van het overdrachtsbesluit een nader standpunt innemen op de vraag of in zijn algemeenheid aan Malta kan worden overgedragen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2026. [8] In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister vreemdelingen niet in grensdetentie mag plaatsen in afwachting van een reactie op een Dublinclaim, zolang de overdracht naar de betreffende lidstaat niet mogelijk is en EU-VIS en Eurodac geen aanknopingspunten bieden dat een andere lidstaat verantwoordelijk kan zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit is niet anders indien een vreemdeling in de vreemdelingebewaring is geplaatst.
5.3.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2026 volgt dat nog steeds geen duidelijkheid bestaat over (onder meer) de opvangsituatie in Malta. Gelet hierop kan worden aangenomen dat een overdracht aan Malta nog steeds niet mogelijk is. Onder die omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de minister vreemdelingen niet in bewaring mag plaatsen in afwachting van een reactie van de Maltese autoriteiten op een overdrachtsclaim. Dit kan anders zijn indien uit informatie in EU-VIS en Eurodac blijkt dat aanknopingspunten bestaan dat een andere lidstaat dan Malta verantwoordelijk kan zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. Die situatie doet zich hier niet voor. Dat betekent dat de bewaring in het geval van eiser vanaf het begin onrechtmatig was.
5.4.
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de overige beroepsgronden geen bespreking behoeven en voor verdere ambtshalve toetsing geen aanleiding is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
6.1.
Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 6 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 880,-.
6.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser, vanwege de kennisgeving, geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 880,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000.
4.Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
5.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
6.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
7.Uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2791.