ECLI:NL:RBDHA:2026:20279

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19650
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000DublinverordeningArtikel 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens onvoldoende motivering Dublinbesluit

Eiseres diende een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Na overdracht aan Frankrijk en terugkeer naar Nederland diende zij een tweede aanvraag in, waarbij zij verklaarde in Frankrijk geen adequate opvang of hulp te hebben ontvangen.

De minister baseerde het bestreden besluit op eerdere beoordelingen en het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zonder de nieuwe feiten en verklaringen van eiseres inhoudelijk te betrekken. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd is, mede omdat eiseres stukken ter onderbouwing heeft overgelegd die niet zijn meegenomen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de actuele situatie. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19650

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres,

(gemachtigde: mr. A. de Haan),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B.J.W. Immink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, P.M. Cuijpers als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
5. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Vorige procedure en overdracht aan Frankrijk
6. Eiseres heeft op 31 mei 2025 een (eerste) asielaanvraag ingediend in Nederland. Tijdens deze procedure heeft eiseres – in het kort – in haar aanmeldgehoor als redenen voor haar komst naar Nederland aangevoerd dat zij bij aankomst in Frankrijk gedetineerd is geweest en dat zij seksueel is aangevallen op straat nadat zij het detentiecentrum heeft verlaten. Eiseres was alleen in Frankrijk en wist niet hoe en waar zij om hulp moest vragen. Ze heeft vervolgens besloten Frankrijk te verlaten en is naar Nederland gekomen voor bescherming. Bij besluit van 17 september 2025 heeft de minister de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
7. Eiseres is naar eigen zeggen op 18 november 2026 overgedragen aan de Franse autoriteiten. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiseres op 26 november 2026 is overgedragen.
Huidige procedure
8. Eiseres is op 2 december 2025 teruggekeerd naar Nederland en heeft op
4 december 2025 een (tweede) asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft in haar aanmeldgehoor verklaard dat zij na haar terugkomst in Frankrijk, ondanks dat haar in Nederland gezegd was dat haar verblijf in Frankrijk ditmaal anders zou zijn, aan haar lot is overgelaten en dat heeft veel van haar trauma teruggebracht. Na aankomst in Lyon (vanuit Parijs) heeft eiseres zich gewend tot de politie en het Vluchtelingenforum. Bij de politie heeft eiseres haar zorgen over de leefsituatie in Frankrijk geuit, maar de politie kon haar niet helpen. Het Vluchtelingenforum gaf aan niet verantwoordelijk te zijn voor het bieden van onderdak. Voor onderdak moest eiseres zijn bij het Refugee Forum Administration. Op die plek worden vreemdelingen geregistreerd, nemen ze vingerafdrukken af, vinden gehoren plaats en krijgen vreemdelingen hun stempels. Dat is ook de plek waar eiseres te kennen moest geven dat zij geen verblijfsplek had en geen financiële middelen. Bij het Refugee Forum Administration aangekomen op 26 november 2026 is eiseres geregistreerd en heeft zij een asielverzoek ingediend. Daarna kreeg eiseres te horen dat zij haar niet verder konden helpen. Ze moest terug naar het Vluchtelingenforum voor het verkrijgen van een datum voor een gehoor. Vanaf het gehoor zou het asielverzoek starten en zou eiseres financieel gesteund worden. Waar zij in de tussentijd moest zijn voor basisbehoeften is haar niet te kennen gegeven. Haar zorgen moest zij maar tijdens het gehoor uiten. Vervolgens heeft eiseres zelf onderzoek gedaan naar de mogelijke verblijfsplekken in Lyon door te bellen en langs te gaan bij ‘[alias]’. Eiseres heeft te horen gekregen dat ze haar of voor één nacht opvang konden bieden, niet konden helpen, vol zaten of gesloten waren. Dit alles heeft ertoe geleid dat eiseres op straat moest verblijven. Eiseres voelde zich op straat niet veilig, mede vanwege haar eerdere ervaring, en heeft daarom moeten overnachten in – onder meer – de noodreceptie van een ziekenhuis. Deze situatie was voor haar niet houdbaar, waardoor zij is teruggekeerd naar Nederland.
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar relaas tijdens het aanmeldgehoor een papier overgelegd waarop staat aangegeven waar zij op zoek is geweest naar huisvesting. Ook heeft eisers een papier overgelegd met overige nuttige plaatsen voor hulp.
Bij besluit van 7 april 2026 is de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Het bestreden besluit
9. In het bestreden besluit heeft de minister – samengevat – overwogen dat de bezwaren die eiseres in haar eerdere procedure naar voren heeft gebracht reeds zijn meegenomen bij de eerdere besluitvorming en inmiddels in rechte vaststaan. Deze bezwaren zullen door de minister dan ook niet meer worden meegenomen bij de beoordeling in deze procedure. Verder heeft de minister overwogen dat een standaardvoornemen voldoet en dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Gronden en oordeel rechtbank
10. Eiseres stelt – samengevat – dat de minister ten aanzien van Frankrijk ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister gaat te gemakkelijk voorbij aan en gaat inhoudelijk niet in op het feit dat eiseres na overdracht aan Frankrijk aldaar wederom aan haar lot is overgelaten. Eiseres kreeg van de Franse autoriteiten geen hulp en diende zelf opvang te regelen. Dat maakt ook dat de minister ten onrechte in het bestreden besluit heeft overwogen dat de bezwaren die eiseres tijdens het aanmeldgehoor van
11 januari 2026 naar voren heeft gebracht, in het besluit van 17 september 2026 reeds zijn beoordeeld, in rechte vaststaan en niet meer worden betrokken bij de huidige beoordeling. Eiseres meent dat de minister hiermee miskent dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 4 van Pro het Handvest bij een nieuw besluit volledig moet worden getoetst aan de actuele beschikbare informatie. In het geval van eiseres zijn de feiten dat zij tijdens haar eerste verblijf in Frankrijk en na Dublinoverdracht door Nederland aan Frankrijk geen enkele hulp van de Franse autoriteiten heeft gekregen. Meerdere instanties hebben eiseres tijdens haar tweede verblijf in Frankrijk van het kastje naar de muur gestuurd. Eiseres heeft hierover tevergeefs geklaagd bij de Franse autoriteiten, zoals de minister van vreemdelingen verwacht. Desondanks bleef eiseres verstoken van bed, bad, brood en toegang tot een advocaat. Deze verklaringen had de minister moeten betrekken bij de beoordeling. Eiseres kan geen stukken van deze structurele tekortkomingen in de opvang en de asielprocedure overleggen, omdat de Franse autoriteiten hiervan geen stukken opstellen of verstrekken. Ter onderbouwing van het standpunt van eiseres dat Frankrijk al jaren kampt met een schrijnend tekort aan opvangcapaciteit, verwijst eiseres naar passages in het AIDA Country Report Frankrijk (update 2024). Op grond van deze passages kan geconcludeerd worden dat alleenstaande mannen en vrouwen moeilijk gehuisvest kunnen worden en dat bij een tekort aan plekken een nachtopvang of op straat leven resteert. Bij terugkeer is het risico veel te groot dat eiseres weer in deze situatie belandt.
De rechtbank volgt eiseres en is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Het enkele gegeven dat de ervaringen van eiseres na haar overdracht aan de Franse autoriteiten hetzelfde zijn als tijdens haar eerste verblijf, maakt niet dat de recente ervaringen van eiseres na overdracht door de Nederlandse autoriteiten enkel daarom geen beoordeling behoeven.
Integendeel; er is sprake van een nieuwe situatie, omdat eiseres ditmaal aan Frankrijk was overgedragen als zijnde Dublinclaimant en Frankrijk door middel van het claimakkoord bepaalde garanties heeft afgegeven over de asielprocedure en de opvang.
Eiseres heeft – zie rechtsoverweging 8. – bovendien uitgebreide en gedetailleerde verklaringen afgelegd over haar terugkeer naar Frankrijk en haar ervaringen aldaar als Dublinclaimant. Eiseres heeft uitgebreid toegelicht tot welke instanties zij zich (zonder resultaat) heeft gewend om alsnog opvang en overige voorzieningen te verkrijgen. De minister is daar in het bestreden besluit niet op ingegaan. Verwezen is naar de vorige procedure en verder is volstaan met standaardoverwegingen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat acht de rechtbank niet toereikend.
Daar komt nog bij dat eiseres, zoals blijkt uit pagina 4 van het aanmeldgehoor en hierboven onder rechtsoverweging 8. is weergegeven, stukken ter onderbouwing van haar verklaringen heeft overgelegd. Dit is ter zitting door de rechtbank aan de orde gesteld. Tijdens de zitting is vastgesteld dat deze stukken door verweerder niet toegevoegd zijn aan het dossier en dat ook uit het bestreden besluit niet blijkt dat deze stukken bij de beoordeling zijn betrokken. Nu de stukken ontbreken kan de rechtbank de inhoud van deze stukken niet verifiëren en beoordelen. Dit klemt te meer omdat eiseres door de minister wordt tegengeworpen dat zij de door haar geschetste leefomstandigheden in Frankrijk niet zou hebben onderbouwd met stukken, terwijl zijn dus wel degelijk stukken heeft overgelegd.
Dit alles tezamen maakt dat de minister het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank oordeelt dat – met inachtneming van het voorgaande – de minister in strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 3:46 van Pro de Awb [2] het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Nu het beroep reeds hierom gegrond is, behoeven de andere beroepsgronden geen bespreking meer.
12. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 7 april 2026;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
D.K. Bloemers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht (Awb).