ECLI:NL:RBDHA:2026:20312

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38740
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P. Bruins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 94 VwArt. 106 VwArt. 15, tweede lid, TerugkeerrichtlijnArt. 5.5 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens motiveringsgebrek en non-refoulement

De zaak betreft een beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en vordert opheffing en schadevergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de uitzetting van eiser. Hoewel eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling zijn vrees voor terugkeer naar Libië heeft uitgesproken, ontbreekt een concrete motivering in het besluit. Dit vormt een motiveringsgebrek dat de rechtmatigheid van de maatregel aantast.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het moment van oplegging onrechtmatig is en beveelt de onmiddellijke opheffing. Tevens kent zij een schadevergoeding toe voor de onrechtmatige bewaring van 11 dagen, alsmede proceskosten. De uitspraak volgt de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij het non-refoulementbeginsel een centrale rol speelt.

Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens motiveringsgebrek omtrent non-refoulement en eiser krijgt schadevergoeding en proceskosten toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38740

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
  • Vw: Vreemdelingenwet 2000
  • Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 11 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. El Barbary als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [3] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [4] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [5] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [6]
Het beginsel van non-refoulement
4. Eiser stelt dat de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring kenbaar had moeten overwegen waarom zijn uitzetting niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Volgens eiser ontbreekt een kenbare overweging op dit punt onder verwijzing naar het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 4 september 2025 [7] , dan wel naar het beginsel van non-refoulement. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de refoulementbeoordeling heeft plaatsgevonden, ondanks dat dit niet voor 100 procent in de maatregel van vreemdelingenbewaring is uitgeschreven.
5. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 februari 2026 [8] volgt dat met het horen van de vreemdeling voorafgaand aan de inbewaringstelling de minister kan onderzoeken of zij een besluit tot oplegging van bewaring kan nemen en dat besluit zorgvuldig kan voorbereiden. Om te voldoen aan wat het Hof in het arrest Adrar in de punten 65 en 66 heeft overwogen, moet de minister de vreemdeling in dat gehoor actief en concreet bevragen, zodat binnen het kader van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan worden beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich tegen uitzetting verzet. Het resultaat van dit onderzoek en van de zorgvuldige voorbereiding moet blijken uit de motivering van het besluit tot vreemdelingenbewaring, gelet op het vereiste dat de inbewaringstelling schriftelijk moet worden gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. [9] Alleen dan wordt kenbaar gewaarborgd dat het beginsel van non-refoulement bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn is betrokken en kan de rechter die motivering betrekken bij de beoordeling wanneer binnen het kader van zicht op uitzetting al dan niet ambtshalve wordt getoetst of dat beginsel zich tegen de uitzetting van de betrokken vreemdeling verzet.
6. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij vreest voor terugkeer naar Libië vanwege dreigementen dat hij zal worden vermoord. De broers van zijn ex-vrouw willen hem vermoorden omdat hij gescheiden is van zijn ex-vrouw. Ook verklaart eiser dat hij problemen heeft met de staat.
7. De rechtbank stelt vast dat hierover in de maatregel van vreemdelingenbewaring enkel een weergave van de verklaringen van eiser bij het gehoor, voorafgaande aan de inbewaringstelling over zijn vrees bij terugkeer naar Libië, is opgenomen. Op geen enkele wijze heeft de minister gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen eisers uitzetting, met daarbij een eventuele verwijzing naar de verklaringen van eiser tijdens het gehoor, voorafgaande aan de inbewaringstelling, of naar een eerdere refoulementbeoordeling met de vaststelling dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden sinds die eerdere refoulementsbeoordeling.
8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan zijn motiveringsplicht en kenbaar had moeten motiveren waarom het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van eiser verzet. Door dit achterwege te laten is in de maatregel van vreemdelingenbewaring niet kenbaar gewaarborgd dat het beginsel van non-refoulement daadwerkelijk en zorgvuldig in de besluitvorming voor de oplegging van de maatregel is betrokken. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek. De minister heeft daarmee eveneens onvoldoende gemotiveerd dat in het geval van eiser sprake is van zicht op uitzetting. De beroepsgrond slaagt.
9. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat de maatregel vanaf de oplegging onrechtmatig is. Daarom behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag, 21 juli 2026.
10.1.
Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 11 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.320,-.
10.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868
(1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1) omdat de gemachtigde van eiser op grond van het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.320,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken en bekendgemaakt door publicatie op rechtspraak.nl op:
21 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
6.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
7.ECLI:EU:C:2025:647.
9.Richtlijn 2008/115/EG.