Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[eiser 1] te India,
1.[gedaagde 1] te [woonplaats 1] ,
[handelsnaam] ’te [woonplaats 2] ,
Rechtbank Den Haag
Op 7 juli 2026 overleed een vrouw van 32 jaar met wortels in India, die recent met haar echtgenoot naar Nederland was verhuisd. Haar familie in India vordert in kort geding dat de crematie in Nederland wordt verboden en dat het lichaam wordt vrijgegeven voor overbrenging naar India, waar de traditionele hindoeïstische crematie moet plaatsvinden.
De echtgenoot wil de crematie in Nederland laten plaatsvinden, met begeleiding door hindoeïstische priesters en aanwezigheid van familieleden. De rechtbank stelt vast dat de overledene nooit haar wensen omtrent lijkbezorging kenbaar heeft gemaakt, maar dat haar culturele achtergrond en handgeschreven afscheidsbriefjes aannemelijk maken dat zij vermoedelijk gecremeerd wilde worden in India volgens hindoeïstische tradities.
De voorzieningenrechter verbiedt de crematie in Nederland en beveelt dat het lichaam na een ceremonie op 22 juli 2026 wordt overgedragen aan een stichting die het naar India zal overbrengen. De echtgenoot krijgt de gelegenheid om voorafgaand aan de overdracht afscheid te nemen. De vorderingen van de familie om exclusieve beslissingsbevoegdheid te krijgen en inzage in documenten worden afgewezen. Proceskosten worden deels gecompenseerd.
Uitkomst: De crematie in Nederland wordt verboden en het lichaam wordt na een ceremonie overgedragen aan de familie voor crematie in India.