ECLI:NL:RBDHA:2026:20340

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
709390
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wet op de lijkbezorgingArt. 8 EVRMArt. 9 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod crematie in Nederland en overdracht lichaam voor crematie in India

Op 7 juli 2026 overleed een vrouw van 32 jaar met wortels in India, die recent met haar echtgenoot naar Nederland was verhuisd. Haar familie in India vordert in kort geding dat de crematie in Nederland wordt verboden en dat het lichaam wordt vrijgegeven voor overbrenging naar India, waar de traditionele hindoeïstische crematie moet plaatsvinden.

De echtgenoot wil de crematie in Nederland laten plaatsvinden, met begeleiding door hindoeïstische priesters en aanwezigheid van familieleden. De rechtbank stelt vast dat de overledene nooit haar wensen omtrent lijkbezorging kenbaar heeft gemaakt, maar dat haar culturele achtergrond en handgeschreven afscheidsbriefjes aannemelijk maken dat zij vermoedelijk gecremeerd wilde worden in India volgens hindoeïstische tradities.

De voorzieningenrechter verbiedt de crematie in Nederland en beveelt dat het lichaam na een ceremonie op 22 juli 2026 wordt overgedragen aan een stichting die het naar India zal overbrengen. De echtgenoot krijgt de gelegenheid om voorafgaand aan de overdracht afscheid te nemen. De vorderingen van de familie om exclusieve beslissingsbevoegdheid te krijgen en inzage in documenten worden afgewezen. Proceskosten worden deels gecompenseerd.

Uitkomst: De crematie in Nederland wordt verboden en het lichaam wordt na een ceremonie overgedragen aan de familie voor crematie in India.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/709390 / KG ZA 26/823
Vonnis in kort geding van 21 juli 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] te India,

2. [eiser 2]te India,
3. [eiser 3]te India,
eisers,
advocaat mr. A. Kaur Doal,
tegen:

1.[gedaagde 1] te [woonplaats 1] ,

2. [gedaagde 2]handelend onder de naam ‘
[handelsnaam] ’te [woonplaats 2] ,
gedaagden.
Eisers worden hierna aangeduid als ‘de familie’. Gedaagden worden hierna (ook) afzonderlijk aangeduid als ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’.

1.De procedure

De familie heeft op verkorte termijn een dagvaarding uitgebracht en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opgeroepen om nog dezelfde dag, op 20 juli 2026 om 16:30 uur, te verschijnen in kort geding. De dagvaarding is met producties ingediend bij de rechtbank en aan gedaagden toegestuurd.
Bij de mondelinge behandeling van de vorderingen is mr. Kaur Doal verschenen namens de familie en ook waren aanwezig de voorzitter en verschillende vrijwilligers van [stichting] (hierna: de Stichting). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn verschenen en voerden zelf verweer. Aan het eind van de zitting is partijen meegedeeld dat op 21 juli 2026 uiterlijk om 15:30 uur vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 7 juli 2026 is [overledene] (hierna: [overledene] ) onverwacht overleden. [overledene] was 32 jaar.
2.2.
[overledene] is geboren en opgegroeid in India met haar ouders [eiser 1] en [eiser 2] en haar broer [eiser 3] , eisers in deze procedure.
2.3.
In maart 2024 trouwde [overledene] in India met [gedaagde 1] , gedaagde in deze procedure. Eind september 2025 vertrokken [overledene] en [gedaagde 1] naar Nederland om hier hun leven op te bouwen. In oktober 2025 kregen zij een zoon.
2.4.
[overledene] werd op 7 juli 2026 in de ochtend levenloos aangetroffen in het pand waarin zij een kledingwinkel dreef. Een schouwarts heeft haar lichaam onderzocht en het lichaam is vervolgens vrijgegeven. [gedaagde 1] schakelde [gedaagde 2] in, en [gedaagde 2] verzocht en verkreeg namens hem verlof voor de crematie van het lichaam van [overledene] .
2.5.
De crematie van het lichaam van [overledene] was aanvankelijk gepland op 15 juli 2026. Om de familie in India de gelegenheid te geven om naar Nederland te reizen en de crematie bij te wonen is de crematie – na daartoe verkregen verlof van de gemeente – uitgesteld tot 22 juli 2026.

3.Het geschil

3.1.
Eisers vorderen, samengevat weergegeven, dat de voorzieningenrechter in een vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
gedaagden verbiedt om de voorgenomen crematie in Nederland te laten doorgaan;
gedaagden veroordeelt om het lichaam van [overledene] vrij te geven aan eisers, zodat zij het kunnen laten overbrengen naar India en het daar kunnen laten cremeren;
eisers aanwijst als uitsluitend bevoegd om te voorzien in de lijkbezorging;
gedaagden veroordeelt tot afgifte van ‘alle officiële documenten en gegevens’ over het overlijden van [overledene] ,
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voeren eisers – samengevat – het volgende aan.
Crematie van het lichaam van [overledene] in Nederland zou de ouders definitief het recht ontnemen om hun overleden dochter te zien, te verzorgen en ritueel te begeleiden. Dat is in strijd met artikel 8 en Pro 9 EVRM. De familie van [overledene] beschikt niet over reisdocumenten om naar Nederland te kunnen komen en de ouders van [overledene] kunnen ook om gezondheidsredenen niet naar Nederland reizen om afscheid te nemen van [overledene] . Als bloedverwanten hebben zij er recht op en groot belang bij om afscheid te nemen van [overledene] en daarbij de rituele handelingen te (laten) verrichten die horen bij een traditionele hindoeïstische crematie. De wijze van crematie is voor Hindoes en Sikhs geen praktische keuze maar een verplichte religieuze handeling die volgens specifieke rituelen, gebeden en familieverantwoordelijkheden moet worden uitgevoerd. Dat kan alleen in India, door de ouders en de priesters die [overledene] sinds haar geboorte kennen en bij eerdere rituelen in haar leven betrokken waren.
3.3.
De familie is geschokt door de dood van [overledene] en wil weten wat er met haar is gebeurd. De familie wil een afschrift van de stukken die tot nu toe zijn opgesteld naar aanleiding van het onderzoek naar de dood van [overledene] .
3.4.
[gedaagde 1] wil graag dat de crematie in Nederland plaatsvindt. Zijn leven samen met [overledene] en hun zoontje speelde zich hier af en hij wil dat hier afsluiten. Zijn leven ligt overhoop door de dood van [overledene] en de reis naar India is voor hem kostbaar en ingewikkeld, hij kan dat nu niet opbrengen. [gedaagde 2] heeft met [gedaagde 1] voorzieningen getroffen om de crematie te laten begeleiden door hindoeïstische priesters. De familie, of in ieder geval de broer van [overledene] , kan daarbij aanwezig zijn, zo nodig na verder uitstel.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens de wet, de ‘lijkbezorging’ – dat is de begraving of crematie van het lichaam van een overledene – geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Dat staat in artikel 18 van Pro de Wet op de lijkbezorging.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [overledene] nooit kenbaar heeft gemaakt wat zij wilde dat er na haar overlijden met haar lichaam zou gebeuren. Zij heeft haar wensen in dat verband niet uitgesproken. Het is in deze procedure dus de vraag of er aanknopingspunten zijn voor een vermoeden daaromtrent.
4.3.
Uit de ingediende stukken en de stellingen van zowel de familie als [gedaagde 1] komt naar voren dat [overledene] is opgegroeid in een gezin waarin hindoeïstische tradities en gebruiken belangrijk zijn. Zij woonde vrijwel haar hele leven in India en trouwde met een man met dezelfde achtergrond. Zij zijn in Nederland gaan wonen en wilden hier een leven opbouwen, maar er is geen enkele aanwijzing dat [overledene] op enig moment afstand heeft genomen van haar culturele achtergrond en banden met India en van haar familie in India. Dat maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat het haar vermoedelijke wens was om op traditioneel hindoeïstische wijze te worden gecremeerd bij haar familie in India.
4.4.
Voor dat vermoeden is steun te vinden in briefjes die na het overlijden van [overledene] zijn gevonden. Die briefjes, handgeschreven aantekeningen op zogenoemde Post-Its, worden gezien als een afscheidsbrief van haar hand. De familie heeft dat in de dagvaarding in twijfel getrokken, maar hun wantrouwen bleek op zitting vooral ingegeven doordat zij geschokt zijn over de daaraan verbonden suggestie van zelfdoding van [overledene] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, ook gezien de door de familie overgelegde voorbeelden van door [overledene] eerder geschreven teksten, voorshands voldoende aannemelijk dat de briefjes door [overledene] zijn geschreven. Uit de briefjes blijkt dat [overledene] op het moment dat zij die schreef heel ongelukkig was, dat zij [gedaagde 1] en haar (schoon)familie verwijten maakte en dat zij kort gezegd wilde dat alles van haar naar haar familie in India zou gaan. Daaruit maakt de voorzieningenrechter op dat [overledene] zich aan het eind van haar leven vooral zeer verbonden voelde met haar familie in India en moeite had met haar leven hier.
4.5.
Omdat aannemelijk is geworden dat [overledene] de (vermoedelijke) wens had dat haar lichaam na haar overlijden in India in bijzijn van haar familie zou worden gecremeerd en geen omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden, zal een daartoe strekkende voorziening worden gegeven.
4.6.
Het lichaam van [overledene] moet door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden overgedragen aan de Stichting, die – naar niet in geschil is in deze zaak – bereid en in staat is om ervoor te zorgen dat het lichaam met inachtneming van de daarvoor geldende regels wordt overgebracht naar India en daar wordt gecremeerd. De kosten daarvan zullen worden voldaan door de familie en/of de Stichting.
4.7.
Het lichaam van [overledene] hoeft niet te worden afgegeven voordat de door [gedaagde 1] beoogde bijeenkomst op woensdagochtend 22 juli 2026 heeft plaatsgevonden. Het lichaam van [overledene] mag dan niet worden gecremeerd, maar [gedaagde 1] moet de gelegenheid krijgen om – met zijn zoon en de mensen die hij daarvoor had uitgenodigd – afscheid te nemen van [overledene] . Daarom zal hij ertoe worden veroordeeld om het lichaam van [overledene] die middag zo spoedig mogelijk na 14 uur vrij te geven en over te dragen aan de Stichting.
4.8.
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd.
4.9.
De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [gedaagde 2] als uitvaartverzorger in deze kwestie handelt in opdracht van en namens [gedaagde 1] . Er is geen reden naar voren gekomen om (ook) [gedaagde 2] te verbieden om het lichaam van [overledene] hier te cremeren en te veroordelen tot vrijgave van het lichaam van [overledene] . De daartoe strekkende vorderingen van de familie zullen worden afgewezen.
4.10.
De voorzieningenrechter ziet geen grond voor toewijzing van de vordering (onder d van het petitum) om ‘de beslissingsbevoegdheid van [gedaagde 1] met betrekking tot de lijkbezorging te schorsen en de familie aan te wijzen als exclusief bevoegd’. De daartoe strekkende vordering zal daarom worden afgewezen.
4.11.
De vordering om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot afgifte van stukken over het overlijden van [overledene] wordt afgewezen, reeds omdat niet voldoende duidelijk is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over de bedoelde stukken beschikken.
4.12.
De aard van het geschil en de familierelatie tussen partijen brengt mee dat de proceskosten tussen de familie en [gedaagde 1] worden gecompenseerd. Dat ligt anders voor de proceskosten van [gedaagde 2] ; die moet de familie vergoeden. Zijn kosten worden begroot op € 341 voor het griffierecht. Als de proceskosten niet binnen veertien dagen worden voldaan en het vonnis daarna wordt betekend, moet de familie aan nakosten ook de kosten van betekening vergoeden.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
ten aanzien van [gedaagde 1]
5.1.
verbiedt [gedaagde 1] om de voorgenomen crematie van [overledene] in Nederland doorgang te laten vinden;
5.2.
gebiedt [gedaagde 1] om het lichaam van [overledene] zo spoedig mogelijk na woensdag 22 juli 2026 14:00 uur vrij te (doen) geven aan eisers, daartoe vertegenwoordigd door [stichting] , zodat zij het lichaam kunnen laten overbrengen naar India en het daar kunnen laten cremeren;
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan eisers van een dwangsom van € 25.000 als hij (nadat het vonnis door een gerechtsdeurwaarder aan hem is betekend) niet binnen 24 uur aan de veroordeling in 5.2 van dit vonnis voldoet;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
compenseert de proceskosten tussen eisers en [gedaagde 1] in die zin, dat elk van hen de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst af het meer of anders jegens [gedaagde 1] gevorderde;
ten aanzien van [gedaagde 2]
5.7.
wijst de vorderingen af;
5.8.
veroordeelt de familie in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 341 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de familie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de familie ook de kosten van betekening betalen;
5.9.
verklaart de proceskostenveroordeling in 5.8 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
mve