ECLI:NL:RBDHA:2026:20367

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
NL26.34224
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59c VwArt. 106 VwArt. 5.6 VbArt. 5.7 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

Eiser is in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een risico op onderduiken en het verkrijgen van noodzakelijke gegevens voor zijn asielaanvraag. Hij betwist de rechtmatigheid van de maatregel en voert meerdere beroepsgronden aan, waaronder onrechtmatige detentie in de politiecel, het ontbreken van zijn voorkeursadvocaat, onduidelijkheid over het proces-verbaal van ophouding, te late omzetting van de maatregel en het niet toepassen van een lichter middel.

De rechtbank stelt vast dat eiser binnen 24 uur uit de politiecel is geplaatst en dat hem een piketadvocaat is toegewezen, waardoor zijn recht op rechtsbijstand niet is geschonden. Het proces-verbaal van ophouding is onjuist opgemaakt, maar dit maakt de maatregel niet onrechtmatig. De omzetting van de maatregel naar een andere grondslag vond tijdig plaats binnen de wettelijke termijn.

De rechtbank oordeelt dat de gronden voor de maatregel, waaronder het niet voldoen aan terugkeerverplichtingen en het ontbreken van een vaste woonplaats, niet zijn betwist en voldoende zijn om de bewaring te dragen. Er is geen aanleiding om een lichter middel toe te passen, ondanks de medische klachten en familieleven van eiser. Het beginsel van non-refoulement wordt in de lopende asielprocedure beoordeeld, zodat de bewaring niet onrechtmatig is.

De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd, het beroep ongegrond is en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34224

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
  • Vw: Vreemdelingenwet 2000
  • Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 18 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Mourabit als tolk en de gemachtigde van verweerder.
2.3.
De rechtbank heeft op 24 juni 2026 het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen informatie over te leggen over de duur van het verblijf van eiser in een politiecel. Daarnaast is eiser op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om de vertaalde stukken aan het dossier toe te voegen. Nadat beide partijen de documenten hadden ingediend en op elkaars stukken hadden gereageerd, stemden zij in met verdere afdoening van de zaak zonder zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 29 juni 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Uitplaatsing uit politiecel
3. Eiser stelt dat het dossier geen stukken bevat waaruit blijkt dat hij binnen 24 uur uit de politiecel is vrijgelaten en teruggebracht naar het detentiecentrum. Daarom moet worden aangenomen dat hij langer dan 24 uur in de politiecel heeft verbleven en is het beroep om die reden al gegrond.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser binnen 24 uur uit de politiecel is geplaatst. Verweerder heeft toegelicht dat hij van de AVIM heeft vernomen dat eiser op 18 juni 2026 om 15:05 uur is uitgeplaatst en met DV&O is teruggebracht naar Detentiecentrum Rotterdam. Ter onderbouwing heeft verweerder een schermprint overgelegd waaruit blijkt dat de uitplaatsing van eiser op 18 juni 2026 om 15:05 uur is geregistreerd, direct na het opleggen van de maatregel van bewaring en daarmee binnen 24 uur na die oplegging. De beroepsgrond slaagt niet.
Voorkeursadvocaat
4. Eiser heeft aangevoerd dat hij zijn verdedigingsrechten niet naar behoren heeft kunnen uitoefenen. Nu bij het plannen van zaken op zitting geen rekening wordt gehouden met de verhinderdagen van advocaten, kon de advocaat die eiser bijstaat in zijn asielprocedure hem niet bijstaan in de onderhavige procedure.
4.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het verslag van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat aan eiser is medegedeeld dat hij zich kosteloos door een raadsman kon laten bijstaan. Eiser gaf aan geen advocaat bij het gehoor te willen, waarna de advocatenpiketdienst is ingelicht. Volgens de rechtbank kan verweerder hiervan geen verwijt worden gemaakt, omdat met deze melding een redelijke inspanning is geleverd om de belangen van eiser te waarborgen. Het lag op de weg van eiser om duidelijk te maken dat hij bijstand wilde van de advocaat die hem bijstaat in de asielprocedure. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat het recht op rechtsbijstand van eiser is geschonden. Er is een piketadvocaat toegewezen en hij heeft rechtsbijstand van deze advocaat ontvangen. De beroepsgrond slaagt niet.
Proces-verbaal van ophouding
5. Eiser stelt dat de bedoeling van het proces-verbaal van ophouding (de M105-A) niet duidelijk is, nu de vreemdelingenpolitie al beschikt over zijn documenten.
5.1.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het formulier M105-A ten onrechte is opgemaakt omdat er geen ophouding was, maar dat dit de maatregel van bewaring niet onrechtmatig maakt. De rechtbank ziet ook geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit onrechtmatig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Omzetting van de maatregel van bewaring
6. Eiser stelt dat hij zijn asielverzoek op 16 juni 2026 heeft ingediend, maar dat de maatregel van bewaring pas op 18 juni 2026 is omgezet door verweerder. Volgens eiser was dit onvoldoende voortvarend.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak dient verweerder een maatregel van bewaring binnen 48 uur om te zetten naar een andere grondslag, wanneer deze niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust. Uit het M35-H formulier (Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) blijkt dat eiser op 16 juni 2026 een asielaanvraag heeft ingediend. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 18 juni 2026 de maatregel had moeten omzetten naar een andere grondslag. Verweerder heeft de maatregel van bewaring dan ook niet te laat omgezet. De beroepsgrond slaagt niet.
Toetsingskader
7. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw, als de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. [3] Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen; [4]
7.1.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt verweerder de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [5]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
8. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
8.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden, met de gegeven motivering en in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat. De overwegingen van verweerder in het kader van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, behoeven daarom geen bespreking.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
9. Eiser stelt dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen dan de inbewaringstelling. Hij heeft gezondheidsproblemen, zoals suikerziekte en hoge bloeddruk. Ook verwijst hij naar zijn verblijf in de observatieafdeling (OBS) wegens veiligheidsredenen en suïcidale uitlatingen. Volgens eiser heeft hij daardoor onevenredig lang en zwaar in detentie gezeten. Daarnaast wijst eiser op zijn familieleven met een partner en drie kinderen in Spanje. Zij hebben daar verblijfsrecht. Eiser heeft verblijfsrecht aangevraagd in Spanje. Hij heeft ter onderbouwing foto’s, bewijs van verblijfsaanvragen, betaalbewijzen, verblijfsdocumenten en een geboorteakte overgelegd, ondersteund door een verklaring van zijn Spaanse advocaat. Twee kinderen kon hij niet erkennen omdat zijn documenten door de Nederlandse autoriteiten waren ingenomen. Het is in het belang van zijn kinderen dat eiser in vrijheid wordt gesteld. Zijn sociale en economische banden binnen het Schengengebied verminderen bovendien het risico op onderduiken. Daarnaast is ook van belang dat verweerder ten onrechte zwaar heeft meegewogen dat hij niet aan zijn terugkeerverplichting heeft voldaan en geen contact wil met de Marokkaanse autoriteiten, omdat hij asielzoeker is. Gezien deze omstandigheden moet de belangenafweging volgens eiser in zijn voordeel uitvallen.
9.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet. [6]
9.2.
Verweerder stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding heeft moeten zien aan eiser een lichter middel dan een maatregel van bewaring op te leggen. Uit het verslag van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt dat aan eiser is gevraagd of hij medische klachten heeft, waarop hij verklaarde een hoge bloeddruk en suikerziekte te hebben. Deze informatie is meegenomen bij het opleggen van de maatregel van bewaring. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat eiser tijdens een eerdere inbewaringstelling tijdelijk in de OBS is geplaatst wegens suïcidale gedachten. Volgens verweerder wordt eiser gedurende de voortzetting van de maatregel regelmatig gecontroleerd en het verblijf in detentie is tot op heden als verantwoord beoordeeld. Indien iemand medisch niet geschikt voor detentie wordt bevonden, zal een arts dit aangeven en wordt de maatregel opgeheven. Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is. Verweerder wijst er verder terecht op dat de medische zorg in de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij, waardoor eisers gestelde medische omstandigheden hem niet – zonder meer – detentieongeschikt maken. Ten aanzien van de stelling dat eiser verblijfsrecht heeft aangevraagd in Spanje en zijn partner en kinderen daar verblijven heeft verweerder toegelicht dat voorafgaand aan de maatregel contact is gezocht met de liaison bij de Spaanse autoriteiten om te verifiëren of eiser daar verblijfsrecht heeft. Dit bleek niet het geval te zijn. De rechtbank merkt op dat verweerder niet gehouden was een lichter middel toe te passen omdat eiser naar Spanje wil gaan in verband met zijn verblijfsrechtprocedure daar. Niet is gesteld of gebleken dat deze procedure niet kan worden doorlopen vanuit het detentiecentrum. Ten aanzien van zijn gestelde familieleven heeft eiser geen objectieve documenten overgelegd die bevestigen dat eiser gehuwd is, danwel een duurzame relatie heeft. Verder heeft verweerder nog opgemerkt dat bij de asielprocedure die eiser doorloopt, artikel 8 van Pro het EVRM wordt betrokken bij de beoordeling. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet hoeven volstaan met het opleggen van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Beginsel van non-refoulement
10. Eiser stelt dat bij gedwongen terugkeer sprake is van een non-refoulement en schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser vreest voor zijn leven in Marokko, nu hij daar meerdere malen is aangevallen. Het terugkeerbesluit kan dan ook niet aan hem worden tegengeworpen.
10.1.
De rechtbank overweegt dat de bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw niet is gericht op uitzetting van eiser, maar op de behandeling van eisers nieuwe asielaanvraag terwijl sprake is van een risico op onttrekking. Het eerder opgelegde terugkeerbesluit is opgeschort vanwege de thans lopende nieuweasielprocedure. In het kader van deze asielprocedure zal een beoordeling van non-refoulement plaatsvinden. Ook eisers persoonlijke omstandigheden komen in dat kader aan de orde. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.
5.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
6.Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.