ECLI:NL:RBDHA:2026:20371

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
NL26.33365
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5 richtlijn 2008/115ECLI:NL:RVS:2015:674ECLI:NL:RVS:2015:1309
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking aan toezicht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd genomen vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, onderbouwd met zowel zware als lichte gronden.

Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting en dat een lichter middel dan bewaring, zoals een meldplicht, passend zou zijn geweest. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld, met onder meer een vertrekgesprek, een laissez-passer aanvraag en een vluchtreservering binnen korte tijd. Daarnaast was het opleggen van een lichter middel niet doeltreffend gezien het risico op onttrekking en de weigering van eiser om vrijwillig terug te keren.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit, waarbij geen onrechtmatigheid werd vastgesteld en geen belemmering van het familie- en gezinsleven of het non-refoulementbeginsel werd aangetoond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33365

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is (telefonisch) verschenen G.I. Dandoy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De zware gronden 3b en 3c en de lichte gronden 4c en 4d, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Voortvarend handelen
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hiertoe voert hij aan dat zijn nationaliteit en identiteit al bekend waren bij verweerder. Het had dan ook op de weg van verweerder gelegen om bij de Hongaarse ambassade documenten voor eiser op te vragen om hem terug te kunnen sturen.
2.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit de stukken in het dossier volgt dat verweerder op 16 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd, dat op 18 juni 2026 een laissez-passer (lp) aanvraag is ingevuld en doorgezonden aan de Hongaarse autoriteiten en dat vervolgens op 19 juni 2026 een vlucht voor eiser is aangevraagd. Tijdens de zitting heeft verweerder toegelicht dat eiser de lp op 26 juni 2026 kan ophalen en dat hij op 29 juni per vlucht vertrekt naar Boedapest. Gelet op deze uitzettingshandelingen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder bij de Hongaarse autoriteiten documenten had moeten opvragen ten behoeve van de uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
3. Eiser stelt dat verweerder met een lichter middel dan de inbewaringstelling had kunnen volstaan, zoals een meldplicht. Hiertoe voert eiser aan dat de vreemdelingenbewaring een ultimum remedium is. Eiser heeft de Hongaarse nationaliteit en is daarmee een burger van de Europese Unie. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht waar eiser de laatste tijd heeft verbleven en of hij een vaste woon- en verblijfplaats heeft.
3.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de (niet betwiste) gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Hieruit volgt namelijk dat er een risico is op onttrekking. Bovendien heeft eiser meermalen, ook ter zitting, verklaard dat hij in Nederland wil blijven en dat hij niet zelfstandig terug wil keren naar Hongarije. Eiser heeft verder tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling geen bijzondere omstandigheden genoemd die reden zouden zijn om van de maatregel af te zien. De stelling dat verweerder had moeten onderzoeken waar eiser de laatste tijd heeft verbleven, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft immers zelf verklaard dat hij op straat verblijft. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat het opleggen van een lichter middel onder deze omstandigheden niet opweegt tegen de kans dat eiser op andere gedachten komt en zich weer aan het toezicht onttrekt. De enkele stelling dat eiser bereid is om zich aan een meldplicht te houden, leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.