ECLI:NL:RBDHA:2026:20373

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
NL26.33216
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.

Eiser betwistte alle zware gronden waarop de maatregel was gebaseerd, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het zich onttrekken aan toezicht, en het niet meewerken aan het vaststellen van identiteit. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat eiser zonder documenten Nederland was binnengekomen en dat de lichte gronden zoals het ontbreken van vaste woonplaats en onvoldoende middelen van bestaan het risico op onttrekking ondersteunen.

De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit aan de hand van relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, waaronder het belang van non-refoulement en het familie- en gezinsleven. Er waren geen aanwijzingen dat deze belangen zich verzetten tegen de maatregel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

De uitspraak werd gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir en griffier M. Stehouwer. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33216

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde ).

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Biada. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser betwist alle zware gronden en de lichte grond 4a. Ten aanzien van de zware gronden stelt eiser dat hij niet beschikt over documenten omdat hij als vluchteling Nederland is ingereisd (3a). Eiser betwist dat hij zich heeft onttrokken aan het toezicht. Hij is ruim zeven maanden voor de inbewaringstelling met onbekende bestemming vertrokken. Dit duidt volgens eiser niet op een actuele aanwijzing voor een risico op onttrekking. Bovendien blijkt uit het dossier dat eiser meerdere malen door Europese autoriteiten is gesignaleerd en overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten, wat betekent dat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken (3b). Daarnaast stelt eiser dat hij niet bekend was met het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom eiser op de hoogte zou zijn van zijn vertrekverplichting (3c). Eiser is verder van mening dat hij aantoonbaar heeft meegewerkt aan het vaststellen van zijn nationaliteit en identiteit. Zo heeft hij meegewerkt aan het gehoor en aan een identificatieonderzoek (3d). Omdat hij bekendstaat onder de juiste gegevens kan niet worden gesteld dat hij tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt (3e). Eiser accepteert dat de autoriteiten hem willen terugsturen en hij wil meewerken aan een laissez-passer (lp) verzoek (3i). Eiser verwijst met betrekking tot lichte grond 4a naar zijn standpunt bij zware grond 3a.
1.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware grond 3a kan volstaan met een toelichting dat deze grond zich feitelijk voordoet. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom de zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Eiser heeft verklaard dat hij zijn paspoort in Italië bij zijn broer heeft achtergelaten. Hij is dus zonder identiteitspapieren Nederland ingereisd. Hieruit volgt dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Verweerder heeft de zware grond 3a dan ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.
1.3.
De zware grond 3a en de niet betwiste lichte gronden 4c en 4d, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de overige gronden dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
2. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.