ECLI:NL:RBDHA:2026:20379

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
09/079723-22 en 10/128925-20 (tul)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 234 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen pogingen tot Vriend-In-Nood-oplichting en bezit fraudevoorwerpen

De rechtbank Den Haag heeft op 22 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die samen met medeverdachten betrokken was bij Vriend-In-Nood-fraude. In de periode van 15 tot en met 29 maart 2022 had verdachte meerdere telefoons, simkaarten en scripts voorhanden die bestemd waren voor het plegen van deze fraude. Tevens heeft hij via WhatsApp pogingen tot oplichting gepleegd door zich voor te doen als familielid en geld te vragen.

Tijdens een politie-inval op 29 maart 2022 in een vakantiehuisje te Ouddorp werden de verdachte en medeverdachte aangetroffen met meerdere telefoons en simkaarten. Uit onderzoek bleek dat op de telefoons scripts en honderden chatberichten stonden die wezen op VIN-fraude. De rechtbank oordeelde dat verdachte nauw en bewust samenwerkte met medeverdachten en dat de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat hij medepleger was.

De rechtbank verwierp de verweren van de verdediging dat verdachte niet aan de telefoons gekoppeld kon worden of dat er geen bewijs was van benadering van slachtoffers. Hoewel geen daadwerkelijke schade of aangiftes van slachtoffers waren, was er sprake van een strafbare poging tot oplichting. Gezien de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn met 26 maanden, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 81 dagen op, met aftrek van voorarrest. De vorderingen van benadeelde partijen tot schadevergoeding werden afgewezen wegens gebrek aan rechtstreeks verband met bewezenverklaarde feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 81 dagen gevangenisstraf voor medeplegen van pogingen tot Vriend-In-Nood-oplichting en bezit van fraudevoorwerpen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/079723-22 en 10/128925-20 (tul)
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.L.M. van den Eshof en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. H. Yilmaz naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in de periode van 15 maart tot en met 29 maart 2022 samen met een medeverdachte simkaarten en telefoon(s) met script(s) voor het plegen van zogenoemde Vriend-In-Nood-fraude voorhanden had (feit 1). Ook is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij zich in diezelfde periode schuldig heeft gemaakt aan pogingen tot oplichting, door via WhatsApp contact op te nemen met een of meer personen, zich daarbij voor te doen als een familielid van die personen, te zeggen dat zijn telefoon stuk is en te vragen om geldbedragen over te maken (feit 2).

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
De zaak van de verdachte ziet op een onderdeel van een groter strafrechtelijk onderzoek (genaamd Asten), dat zich oorspronkelijk richtte op bankhelpdeskfraude. In het kader van dat onderzoek treedt de politie op 29 maart 2022 binnen in een vakantiehuisje op het terrein van Center Parcs in Ouddorp. Daar wordt de verdachte aangetroffen met (onder andere) medeverdachte [medeverdachte] . Tijdens de doorzoeking worden meerdere goederen aangetroffen die gebruikt zouden zijn voor zogenoemde Vriend-in-Nood fraude. Bij dit soort fraude worden beoogde slachtoffers benaderd via WhatsApp, waarbij de dader zich voordoet als een familielid of bekende met een nieuw telefoonnummer.
Na het vertrouwen te hebben gewonnen van het slachtoffer wordt vaak gesteld dat op de nieuwe telefoon de betaal-app van de bank nog niet werkt, maar dat er wel dringend een rekening moet worden betaald. Het beoogde slachtoffer wordt gevraagd of hij deze rekening kan voorschieten, waarna een betaalverzoek wordt gestuurd. Het geld van de betaalverzoeken wordt vervolgens gestort op een rekening van een zogenaamde geldezel of katvanger.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de gebruikte bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging voorhanden hebben van voorwerpen bestemd voor het plegen van Vriend-in-Nood-fraude (hierna: VIN-fraude) en van poging tot oplichting.
Ten aanzien van feit 1 verwerpt de rechtbank de verweren van de verdediging dat de verdachte niet kan worden gekoppeld aan de aangetroffen telefoons en dat hij geen wetenschap zou hebben van de scripts en chatgesprekken die op de telefoons zijn aangetroffen, zodat geen sprake zou zijn van medeplegen. Ten aanzien van feit 2 verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat het dossier geen bewijs bevat waaruit zou blijken dat de verdachte mogelijke slachtoffers heeft benaderd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Feit 1: Voorhanden hebben van telefoons en simkaarten
Uit het dossier blijkt dat in de Prada-tas van de verdachte een Samsungtelefoon (een Samsung SM-G532F) is aangetroffen. In de directe nabijheid van de verdachte is op de grond een andere Samsungtelefoon aangetroffen (een Samsung SM-A013G).
De verdachte heeft verklaard dat de Prada-tas weliswaar van hem is, maar dat het onjuist is dat zich een telefoon in zijn Prada-tas bevond. De rechtbank acht deze verklaring van de verdachte op zichzelf echter onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van wat de verbalisanten in hun proces-verbaal over de vindplaats van deze Samsung hebben opgenomen.
In de Samsung SM-G532F, die in tas van de verdachte is gevonden, zijn gebruikersnamen voor Google Applicaties aangetroffen, namelijk [gebruikersnaam 1] , [gebruikersnaam 2] en [gebruikersnaam 3] . In de Samsung SM-A013G, die op de grond in de directe nabijheid van de verdachte is aangetroffen, zijn gebruikersnamen gevonden die daarmee zeer grote overeenkomsten vertonen. Hieruit leidt de rechtbank af dat beide telefoons dezelfde gebruiker hebben gehad. Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien met de vindplaatsen van de telefoons, brengt de rechtbank tot de conclusie dat buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte beide telefoons voorhanden heeft gehad.
Daarnaast zijn zestien simkaarten aangetroffen in de Prada-tas van de verdachte. Dit betroffen vier Duitse en twaalf Nederlandse simkaarten. Hoewel verdachte heeft ontkend dat de Nederlandse simkaarten in de tas hebben gezeten, geldt ook op dit punt dat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal waarin het aantreffen van zestien simkaarten staat beschreven.
Feit 1: medeplegen
De rechtbank is bovendien van oordeel dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben van de voorwerpen en gegevens die bestemd waren tot het plegen van oplichting.
Uit de gebruikte bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de medeverdachte, samen met nog een derde persoon, aanwezig waren in een vakantiehuisje en dat zij daar samen naartoe zijn gereden. In hun directe nabijheid lagen meerdere telefoons. Op een aantal telefoons stonden scripts voor VIN-fraude en honderden chatgesprekken met dezelfde Duitstalige openingszin die duidt op VIN-fraude. Dit soort chatgesprekken stonden zowel op een telefoon die bij de verdachte is aangetroffen (Samsung SM-A013G) als op een telefoon die bij de medeverdachte is aangetroffen (Samsung SM-A105F/DS). Tevens is zowel op een telefoon die de verdachte voorhanden had als op een telefoon die de medeverdachte voorhanden had, een screenshot aangetroffen van een betaling door een kennelijk slachtoffer van VIN-fraude ( [slachtoffer] ). Tot slot zijn zowel bij de verdachte als in de auto van de medeverdachte een grote hoeveelheid simkaarten aangetroffen. De rechtbank acht voor het medeplegen ook van belang dat de telefoon van de verdachte gebruik heeft gemaakt van een hotspot met de naam van de medeverdachte, [medeverdachte] .
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachte nauw en bewust hebben samengewerkt bij het plegen van de tenlastegelegde feiten.
Feit 2: poging tot oplichting
Uit het onderzoek naar de Samsung SM-A013G is gebleken dat deze telefoon gebruikt werd om VIN-fraude mee te plegen. De rechtbank stelt vast dat op de betreffende telefoon 481 gesprekken zijn aangetroffen waarin is getracht het beoogde slachtoffer op te lichten. Anders dan de verdediging stelt, volgt uit de bewijsmiddelen dat deze berichten zijn verstuurd tussen 15 maart en 29 maart 2022. Tevens is vastgesteld dat de telefoon gedurende de tenlastegelegde periode gebruikmaakte van meerdere IMEI-nummers, die werden geregistreerd in de nabijheid van de woning van de verdachte.
De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de aangetroffen berichten op deze telefoon niet als bewijs kunnen worden gebezigd omdat de processen-verbaal onvoldoende onderbouwd zijn. De rechtbank verwerpt dit verweer. De verbalisanten hebben beschreven dat er meerdere berichten zijn aangetroffen in de telefoon en dat deze berichten te maken hebben met VIN-fraude. De rechtbank ziet van een aantal berichten screenshots in het dossier en heeft geen aanleiding om te twijfelen aan het op ambtseed opgestelde proces-verbaal van de verbalisanten.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat de verdachte bewust berichten heeft verzonden die tot doel hadden om de ontvangers te misleiden en daarmee financieel voordeel te behalen. Hoewel niet is gebleken dat er door deze berichten daadwerkelijk schade is ontstaan en er geen aangiftes van slachtoffers zijn ontvangen, maken de handelingen van de verdachte (in de kern het versturen van berichten met een misleidende inhoud) dat er sprake is van een strafbare poging.
De omstandigheid dat bijlage 22 bij het proces-verbaal met nummer 233 ontbreekt, doet niet af aan de bewezenverklaring, nu de overige bewijsmiddelen reeds voldoende grondslag bieden voor de bewezenverklaring.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij
op29 maart 2022 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen en gegevens, te weten:
- een hoeveelheid simkaarten, en
- meerdere telefoons met daarin onder meer een notitie met
daarin meerdere scripts) voor het plegen van Vriend-In-Nood-fraude
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten
dat die bestemd waren tot het plegen van oplichting terwijl dit feit betrekking
had op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument;
2.
hij in de periode van 15 maart 2022 tot en met 29 maart 2022 in
Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
meermalen althans eenmaal met het oogmerk om zich en een ander
wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een
valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, één of meerdere personen te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten tot de afgifte van een geldbedrag
- via WhatsApp contact met die persoon/personen heeft opgenomen, en
- zich daarbij heeft voorgedaan als een familielid en/of een (andere) bekende van de onbekend gebleven ander(en), en
- daarbij heeft gezegd dat zijn telefoon stuk is en hij een nieuw nummer heeft, en
- ( vervolgens) aan die ander(en) heeft gevraagd (onder tijdsdruk) een of meer
geldbedragen over te maken en/of een of meer (niet bestaande) rekeningen te
betalen, en/of
- een bankrekening heeft doorgegeven waar het geld naartoe moest worden
overgemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 95 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een taakstraf van 38 uren, subsidiair 19 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft in zijn strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank subsidiair verzocht om aan de verdachte een taakstraf op te leggen met aftrek van het voorarrest.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft door middel van zogenaamde Vriend-In-Noodfraude gepoogd een groot aantal mensen op te lichten door hen via Whatsapp te benaderen, zich daarbij voor te doen als zoon of dochter en te melden dat er sprake was van geldnood. Daarnaast heeft de verdachte, tezamen en in vereniging, meerdere gegevens en goederen (waaronder scripts en simkaarten) voorhanden gehad met het doel de fraude te plegen.
De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij uitsluitend uit is geweest op financieel gewin en dat hij daarbij op geen enkel moment heeft stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Deze vorm van oplichting heeft grote negatieve gevolgen voor het vertrouwen van mensen in het digitaal (betalings-)verkeer en het gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 juni 2026. De rechtbank heeft geconstateerd dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in soortgelijke zaken doorgaans als straf wordt opgelegd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen passend is.
Overschrijding redelijke termijn.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een strafzaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis in eerste aanleg binnen twee jaar nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het EVRM is aangevangen. In deze zaak is die termijn aangevangen op 30 maart 2022, met de inverzekeringstelling van de verdachte. De redelijke termijn is in aanzienlijke mate, te weten met 26 maanden overschreden. De rechtbank overweegt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet te wijten is aan de verdediging en houdt hier in strafmatigende zin rekening mee. De rechtbank vindt daarin aanleiding een korting van tien procent op de op te leggen straf toe te passen.
Conclusie
Alles overziend, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 81 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest arrest doorgebracht, passend en geboden.

7.De vordering van de benadeelde partijen

  • ING Bank N.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van €106.430,91te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade;
  • Volksbank N.V heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van €5.139,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade;
  • [benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van €500,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade;
  • [benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.000,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade;
  • [benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.000,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade;
De rechtbank overweegt ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen als volgt. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de gestelde schade en de bewezenverklaarde feiten. De bewezenverklaarde feiten zien immers op het slachtofferloze delict van artikel 234 Sr Pro en pogingen tot oplichting. De benadeelde partijen zijn daarom allen niet ontvankelijk in hun vorderingen.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht) onder:
-1 t/m 10 zullen worden teruggegeven aan de verdachte.
- 11 t/m 22 zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende.
- 23 zal worden verbeurdverklaard;
- 24 zal worden teruggegeven aan de verdachte;
- 25 zal worden verbeurdverklaard;
- 26 zal worden teruggegeven aan de verdachte;
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de inbeslaggenomen geldbedragen (onder 5 en onder 6) aan de verdachte terug te geven.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat blijkens de verklaring van de verdachte het beslag reeds is afgewikkeld. Enkel de geldbedragen heeft hij nog niet teruggekregen. Met betrekking tot die voorwerpen (onder 5 en onder 6) zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 27 mei 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 10/128925-20 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 4 augustus 2020 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangeven dat wat het OM betreft de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf niet langer aan de orde is.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging geen standpunt ingenomen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de officier van justitie ten aanzien van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 45, 47, 57, 63, 234 en 326 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een in artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf terwijl dit feit betrekking had op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument
ten aanzien van feit 2
medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
81 (EENENTACHTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vorderingen van de benadeelde partijen;
bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 5 en onder 6 genoemde voorwerpen, te weten:
- onder 5: een geldbedrag van € 100,-
- onder 6: een geldbedrag van € 1.250,-
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam d.d. 4 augustus 2020, gewezen onder parketnummer 10/128925-20.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.M. de Groes, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2022 tot en met 29 maart 2022 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander althans alleen, een of meer stoffen, voorwerpen en/of gegevens, te weten:
- een (grote) hoeveelheid simkaarten, en/of
- één of meerdere telefoon(s) met daarin onder meer een of meerdere notitie(s) met
daarin een of meerdere script(s) voor het plegen van Vriend-In-Nood-fraude
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
dat die bestemd waren tot het plegen van oplichting (artikel 326 lid 1 van Pro het
Wetboek van Strafrecht in elk geval een der in de artikelen 226, eerste lid,
onderdelen 2° tot en met 5°, 231, eerste lid, 231a, eerste lid, 231b en 232, eerste lid, omschreven misdrijven dan wel een der misdrijven omschreven in de artikelen 310, 311, 312, 317, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht terwijl dit feit betrekking
had op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument;
2
hij in of omstreeks de periode van 15 maart 2022 tot en met 29 maart 2022 in
Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
meermalen althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander
wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een
valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, één of meerdere personen te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten tot de afgifte van een geldbedrag
- via WhatsApp contact met die persoon/personen heeft opgenomen, en/of
- zich daarbij heeft voorgedaan als een familielid en/of een (andere) bekende van de onbekend gebleven ander(en), en/of
- daarbij heeft gezegd dat zijn telefoon stuk is en hij een nieuw nummer heeft, en/of
- ( vervolgens) aan die ander(en) heeft gevraagd (onder tijdsdruk) een of meer
geldbedragen over te maken en/of een of meer (niet bestaande) rekeningen te
betalen, en/of
- een bankrekening heeft doorgegeven waar het geld naartoe moest worden
overgemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.