ECLI:NL:RBDHA:2026:20497
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorrang bij behandeling mvv-aanvraag wegens veiligheidssituatie Iran
Verzoekster, een Iraanse vrouw met een Nederlandse partner, vroeg de rechtbank om een voorlopige voorziening die de minister zou verplichten haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met voorrang te behandelen. Zij stelde dat de oorlogssituatie en de repressieve positie van vrouwen in Iran haar in een kwetsbare en gevaarlijke situatie brachten.
De minister weigerde de aanvraag met voorrang te behandelen omdat de situatie in Iran voor alle aanvragers gelijk is en er geen spoedeisend belang is. De rechtbank overwoog dat de wettelijke beslistermijn nog niet was verstreken en dat de minister verwachtte uiterlijk op 21 juli 2026 te beslissen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het niet toewijzen van voorrang onomkeerbare gevolgen zou hebben. Er was geen sprake van spoedeisend belang of evidente onrechtmatigheid. De belangenafweging woog bovendien in het nadeel van verzoekster vanwege de belangen van andere aanvragers uit Iran.
Daarom wees de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening af en oordeelde dat er geen reden was voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om de mvv-aanvraag met voorrang te behandelen is afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang en evidente onrechtmatigheid.