ECLI:NL:RBDHA:2026:20510

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL24.38668
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 4:17 AwbWet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzakenTijdelijke wet opschorting dwangsommen IND
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-tijdig beslissen asielaanvraag en proceskostenvergoeding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 9 juni 2023. Verweerder heeft op 18 februari 2025 alsnog een besluit genomen. Eiser is op 27 oktober 2025 teruggekeerd naar Turkije en heeft aangegeven geen belang meer te hebben bij de beoordeling van het beroep, maar wel aanspraak te maken op dwangsommen en proceskosten.

De rechtbank stelt vast dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen feitelijk is komen te vervallen omdat het besluit inmiddels is genomen, waardoor het procesbelang ontbreekt. Daarnaast is de ingebrekestelling gedaan vóór de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, waardoor de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND van toepassing is en dwangsommen niet kunnen worden opgelegd.

De rechtbank verklaart het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Wel veroordeelt zij verweerder in de proceskosten van eiser, omdat het besluit te laat is genomen en het beroep terecht is ingesteld. De proceskosten worden vastgesteld op € 467, gebaseerd op een puntensysteem met een lichte wegingsfactor.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard en verweerder is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38668

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] )

Procesverloop

Eiser heeft op 4 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 9 juni 2023.
Op 18 februari 2025 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Bij bericht van 5 november 2025 heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat eiser met behulp van het IOM op 27 oktober 2025 is teruggekeerd naar Turkije.
Eiser heeft bij schrijven van 20 november 2025 hierop gereageerd en aangegeven dat hij geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep, maar wel aanspraak maakt op dwangsommen over de periode 25 september 2024 tot en met 18 februari 2025 en een vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met het bestreden besluit aan het beroep is tegemoetgekomen, zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft.
2. Eiser verzoekt de rechtbank verweerder dwangsommen op te leggen op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb en verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 21 december 2022. [3] Nu de ingebrekestelling vóór de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend, geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND. Nu artikel 1 van Pro deze wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met het beroep niet bereiken wat hij wil, zodat ook in zoverre het procesbelang ontbreekt.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit omdat verweerder het besluit op de asielaanvraag van eiser te laat heeft genomen en eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van dat besluit.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb [4] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 22 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin
u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit
verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet
deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten,
kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Zaaknummer NL22.9002 (niet gepubliceerd).
4.Besluit proceskosten bestuursrecht.