ECLI:NL:RBDHA:2026:20523

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36356
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vw 2000Art. 94 lid 1 Vw 2000Art. 5 ScreeningsverordeningArt. 12 lid 3 ScreeningsverordeningArt. 54 Procedureverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid grensdetentie bij asielaanvraag aan de buitengrens

Eiser, een vreemdeling die op 30 juni 2026 op Schiphol landde en asiel aanvroeg, werd geconfronteerd met een grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister legde deze vrijheidsontnemende maatregel op in het kader van de screening en de beoordeling van de toegangsvoorwaarden tot Nederland.

Eiser betoogde dat de grensdetentie een te vergaande maatregel is en dat lichtere middelen mogelijk waren, verwijzend naar de Screeningsverordening en de Procedureverordening. De rechtbank oordeelde dat de minister bevoegd was de maatregel op te leggen vanwege het zwaarwegende grensbewakingsbelang en dat er voldoende individuele beoordeling plaatsvindt om onevenredige toepassing te voorkomen.

Daarnaast stelde eiser dat de screening onvoldoende zorgvuldig was verricht en dat processen-verbaal onjuist waren ondertekend. De rechtbank vond dat de screening volgens de geldende regels was uitgevoerd en dat het ontbreken van elektronische handtekeningen geen reden was om de bewijswaarde te betwisten, mede door een aanvullend proces-verbaal.

De rechtbank concludeerde dat de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de grensdetentie waren vervuld en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter C.T.C. Wijsman op 13 juli 2026 en is openbaar bekendgemaakt.

Uitkomst: Het beroep tegen de grensdetentie is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36356

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T.E. van Houwelingen-Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel (hierna: grensdetentie) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.A. Remizova. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na de behandeling ter zitting heeft eisers gemachtigde schriftelijke gronden ingediend en de gemachtigde van de minister op 7 juli 2026 nog een aanvullend proces-verbaal overgelegd, een en ander zoals ter zitting met partijen besproken. Daarop is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

1. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. [1] Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. [2] De strekking van de grensdetentie is dat eiser moet verblijven in het Aanmeldcentrum Schiphol.
2. Eiser is op 30 juni 2026 geland op Schiphol en heeft aan de buitengrens om 15:40 uur zijn asielverzoek kenbaar gemaakt. Eiser is daarop overgedragen aan de Afdeling Asiel & Artikel 4 van Pro de Koninklijke Marechaussee. Om 19:24 uur is besloten om een besluit omtrent de toegangsweigering uit te stellen. Tegelijkertijd is het bestreden besluit genomen om de grensdetentie op te leggen met het oog op de behandeling van het asielverzoek en artikel 5 van Pro de Screeningsverordening. Vervolgens is eiser overgebracht naar het Aanmeldcentrum.
Bevoegdheid tot opleggen maatregel
3. Eiser betoogt dat de grensdetentie een te ver gaande maatregel is. Eiser stelt dat de maatregel in artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 is bedoeld ter implementatie van artikel 5 van Pro de Screeningsverordening en artikel 54 van Pro de Procedureverordening. Met de grensdetentie wordt echter geen recht gedaan aan het uitgangspunt dat hij slechts ter beschikking moet blijven van de autoriteiten. Artikel 6 van Pro de Screeningsverordening en artikel 54 van Pro de Procedureverordening vermelden de mogelijkheid van bewaring niet expliciet. Artikel 54 van Pro de Procedureverordening verwijst primair naar de lichtere middelen benoemd in artikel 9 van Pro de (herziene) Opvangrichtlijn. Eiser wijst ook op overweging 69 in de considerans van de Procedureverordening, waarin de bewaring weliswaar als mogelijkheid is benoemd, maar óók dat de asielgrensprocedure ook zonder bewaring kan worden vormgegeven. Van de minister mag - in zijn algemeenheid en in dit geval in het bijzonder - worden verlangd dat hij deze mogelijkheden kenbaar onderzoekt. Toegespitst op dit geval voert eiser aan dat in het gehoor voor oplegging van de grensdetentie is opgemerkt dat eiser niets naar voren heeft gebracht dat tot de conclusie zou kunnen leiden dat de grensdetentie onevenredig bezwarend is, maar dat kan niet de maatstaf zijn: de minister moet zélf beoordelen of de mogelijkheid bestaat om met een lichter middel hetzelfde doel te bereiken.
3.1.
De minister heeft ter zitting gewezen op het belang van grensbewaking dat in beginsel noodzaakt tot het opleggen van de grensdetentie in een situatie als deze. Ieder lichter middel zou tot gevolg hebben dat eiser toegang verkrijgt tot Nederland, terwijl nog de vraag is of de minister die toegang wil verlenen. Dat betekent niet dat de oplegging van de grensdetentie een automatisme is. Er vindt wel altijd een individuele beoordeling plaats, maar de redenen om af te zien van grensdetentie zijn dan gelegen in (bijzondere) individuele omstandigheden.
3.2.
De rechtbank onderschrijft het uitgangspunt dat de oplegging van de grensdetentie geen automatisme moet zijn is, maar het resultaat van de toepassing van een bevoegdheid. Dat betekent dat de minister onder omstandigheden ook kan besluiten deze maatregel achterwege te laten. Daarover bestaat blijkens de behandeling ter zitting ook geen verschil van inzicht. Het geschil spitst zich toe tot de vraag wanneer de omstandigheden aanleiding kunnen geven om de grensdetentie wel of niet toe te passen.
3.3.
De grensdetentie komt standaardmatig in beeld op het moment dat een vreemdeling – die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland – aan de grens om asiel vraagt. In die situatie heeft de minister met het oog op het grensbewakingsbelang de bevoegdheid om de maatregel van grensdetentie op te leggen, maar laat hij toepassing van deze bevoegdheid achterwege als individuele omstandigheden daaraan in de weg staan. Deze constructie kan ogen als automatisme, mede doordat het grensbewakingsbelang als zwaarwegend heeft te gelden, maar naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gewaarborgd dat per individueel geval de afweging gemaakt wordt of de maatregel kan of moet worden opgelegd.
3.4.
De rechtbank overweegt met betrekking tot het begrip ‘ter beschikking blijven van de autoriteiten’ in de zin van artikel 6 van Pro de Screeningsverordening dat de grensdetentie daarmee niet in strijd is. Daargelaten de vraag hoe het regime en/of de locatie waar de betrokken vreemdelingen moeten verblijven eruit zou kunnen zien, bepaalt artikel 6 van Pro de Screeningsverordening immers dat personen bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2, van de Screeningsverordening niet mogen worden toegelaten tot het grondgebied en dat de lidstaten in hun nationale recht bepalingen moeten vaststellen om ervoor te zorgen dat deze personen ter beschikking blijven van de autoriteiten om elk risico op onderduiken te voorkomen. Met artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voldoet Nederland aan deze opdracht. Aangezien de minister terecht opmerkt dat een lichter middel dan de grensdetentie thans feitelijk betekent dat de toegang tot Nederland wordt toegestaan vóór screening, werpt eiser in wezen de vraag op of de minister niet ook moet voorzien in faciliteiten die de grensdetentie – wat strikt genomen niet meer is dan de aanwijzing om te verblijven in het Aanmeldcentrum te Badhoevedorp – minder bezwarend maken. Dat zou kunnen, maar de rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de minister daartoe gehouden is.
3.5.
De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat artikel 54 van Pro de Procedureverordening in samenhang met artikel 9 van Pro de (herziene) Opvangrichtlijn zich niet verdraagt met het voorgaande. Artikel 9 van Pro de (herziene) Opvangrichtlijn geeft mogelijkheden voor de lidstaten om, indien nodig, beperkingen aan de bewegingsvrijheid te stellen van asielzoekers. Dit geldt voor alle verzoekers om internationale bescherming. Artikel 54, eerste lid, van de Procedureverordening verwijst naar dit artikel, onverminderd artikel 10 van Pro de (herziene) Opvangrichtlijn. In artikel 10 van Pro de (herziene) Opvangrichtlijn zijn regels gesteld over bewaring van verzoekers. Volgens artikel 10, vierde lid, onder d, van de (herziene) Opvangrichtlijn is de bewaring mogelijk om in het kader van een grensprocedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Dit is de situatie die zich hier voordoet.
3.6.
Ook in dit concrete geval heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding om de grensdetentie op te leggen. Eiser voldoet niet aan de toegangsvoorwaarden en heeft om asiel gevraagd. De minister heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel met het oog op het grensbewakingsbelang geen reële mogelijkheid is, omdat dat zou betekenen dat alsnog de toegang wordt verleend terwijl de af te wachten beslissing daarover nu juist reden is voor toepassing van deze maatregel. Uit het verslag van het gehoor leidt de rechtbank niet af dat eiser dermate kwetsbaar is dat de grensdetentie in het Aanmeldcentrum onevenredig bezwarend is.
Zorgvuldigheid screening
4. Eiser voert daarnaast aan dat de minister de screening onvoldoende zorgvuldig heeft verricht. Er blijkt niet dat is getoetst op kwetsbaarheid of bijzondere opvangbehoeften in de zin van de (herziene) Opvangrichtlijn. Op het screeningsformulier is niets ingevuld over eventuele kwetsbaarheden die kunnen leiden tot procedurele behoeften.
4.1.
Artikel 12, derde lid van de Screeningsverordening schrijft een kwetsbaarheidsbeoordeling tijdens de screening voor, te verrichten door gespecialiseerd daartoe opgeleid personeel. Deze beoordeling geschiedt om na te gaan of een onderdaan van een derde land mogelijk staatloos, kwetsbaar of slachtoffer is van foltering of andere onmenselijke of onterende behandeling, dan wel of deze speciale behoeften heeft.
4.2.
De minister heeft er ter zitting terecht op gewezen dat de screening die op grond van de Screeningsverordening moet plaatsvinden een andere is dan de inventarisatie van individuele omstandigheden om te beoordelen of moet worden afgezien van de grensdetentie. Dat zich in het dossier geen volledige verslaglegging van de screening (vgl. artikel 8, vijfde lid, van de Screeningsverordening) bevindt, leidt dan ook niet tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is.
4.3.
Voor zover eiser zou willen betogen dat als gevolg van een onjuiste of onzorgvuldige screening de grensdetentie niet langer gerechtvaardigd is met het oog op de toepassing van artikel 5 van Pro de Screeningsverordening, leidt dat de rechtbank niet tot de conclusie dat de grensdetentie moet worden opgeheven. Deze maatregel is immers ook bedoeld om een beslissing te kunnen nemen over de toelating tot het grondgebied.
Onjuistheden processen-verbaal
5. Tot slot wijst eiser erop dat verschillende processen-verbaal niet zijn ondertekend. De vraag rijst welke (bewijs)waarde aan deze processen-verbaal moet worden gehecht. In dit verband is van belang dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hem in het gehoor voorafgaand aan de grensdetentie helemaal niet is gevraagd of bij hem sprake is van medische klachten of andere redenen om af te zien van de grensdetentie. In het proces-verbaal is echter opgenomen dat eiser heeft verklaard dat er géén sprake is van ernstige ziekte of lichamelijke aandoening waarvoor hij direct medische hulp nodig heeft, noch een andere ziekte waarvan hij last heeft, dat hij geen medicijnen gebruikt en geen familie in de Europese Unie heeft.
5.1.
De minister refereert zich wat betreft de bewijswaarde aan het oordeel van de rechtbank, maar is ten allen tijde bereid om aanvullend proces-verbaal te laten opmaken om duidelijkheid te verschaffen waar nodig. Desgevraagd heeft de minister daarom op 7 juli 2026 een aanvullend proces-verbaal ingediend met betrekking tot het gehoor. Daarin is onder ambtseed/ambtsbelofte verklaard dat de elektronische handtekening ontbreekt als gevolg van een fout in het Vreemdelingen Basis Systeem. Door (natte) ondertekening van het aanvullend proces-verbaal geeft de verbalisant aan dat het proces-verbaal van gehoor wel juist is.
5.2.
De rechtbank stelt met eiser vast dat de elektronische handtekening bij processen-verbaal ontbreekt. Zoals de rechtbank ook ter zitting aan partijen heeft voorgehouden, ziet zij op voorhand geen reden om te veronderstellen dat de inhoud van de processen-verbaal onjuist is voor zover daarover geen geschil bestaat. Het ontbreken van een handtekening en eventuele gevolgen voor de bewijswaarde komt aan de orde wanneer daarover wél een verschil van inzicht ontstaat. Dat is het geval ten aanzien van het proces-verbaal van gehoor. Gezien het nader opgemaakte proces-verbaal van de verbalisant die ook het gehoor heeft afgenomen, is de rechtbank evenwel van oordeel dat (alsnog) moet worden uitgegaan van de juistheid van het proces-verbaal van gehoor. Gelet daarop heeft de minister terecht geen aanleiding gezien om de grensdetentie niet op te leggen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3] Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vrijheidsontneming is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van
K. Postema, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 juli 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw 2000.
2.Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.