ECLI:NL:RBDHA:2026:20538

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.30659 en NL26.30660
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 6 DublinverordeningArt. 10 DublinverordeningArt. 12 DublinverordeningArt. 16 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing Dublinbesluit inzake asielaanvraag moeder en dochter

Eiseres, een Turkse nationaliteit houdende vrouw, diende op 17 februari 2026 een asielaanvraag in voor zichzelf en haar dochter. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling, verwijzend naar de Dublinverordening en de verantwoordelijkheid van Polen. De minister stelde dat Polen de asielaanvraag zou behandelen en dat er geen risico op schending van het Handvest of indirect refoulement was.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met het belang van de jonge dochter, zoals vereist op grond van het IVRK en het Handvest van de EU. De rechtbank stelde vast dat het gezin door de overdracht aan Polen voor onbepaalde tijd gescheiden zou worden, wat schadelijk is voor de hechting en ontwikkeling van het kind. Tevens was onvoldoende bewijs geleverd dat de heer [persoon] de vader en echtgenoot was, maar er was wel een begin van bewijs.

De minister had geen aandacht besteed aan de gevolgen van de langdurige procedure in Polen en het feit dat de verblijfstitel van eiseres in Polen was verlopen. Ook werd geen rekening gehouden met de lopende hoger beroepsprocedure van de heer [persoon] in Nederland. Hierdoor was sprake van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiseressen kregen een proceskostenvergoeding van €2.802 toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.30659 (beroep) en NL26.30660 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres/verzoekster (eiseres)

[naam] ,dochter van eiseres
samen: eiseressen
(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E. van der Meulen).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiseressen tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvraag en hun verzoek om een voorlopige voorziening.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en er een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit waarmee de asielaanvraag van eiseres en haar dochter niet in behandeling is genomen. Het beroep is dus gegrond en de minister zal een nieuw besluit moeten nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 1998 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiseres heeft op 17 februari 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag geldt ook voor haar dochter. Zij is geboren op [geboortedag 2] 2025 en heeft ook de Turkse nationaliteit.
2.2.
Met het besluit van 1 juni 2026 heeft de minister deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk is. De minister heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft een verblijfstitel gekregen van Polen die geldig was tot 19 april 2026 en deze was dan ook nog geldig op het moment dat eiseres asiel aanvroeg in Nederland. Op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening [1] was Polen daarom verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres en Polen is hiermee akkoord gegaan. De minister vindt de verwijzing van eiseressen naar een AIDA [2] -rapport niet voldoende, omdat uit de informatie niet blijkt dat Dublinclaimanten risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest [3] . De minister volgt verder niet dat overdracht aan Polen tot indirect refoulement leidt. Polen heeft de claim geaccepteerd en Nederland mag erop vertrouwen dat Polen zich aan de regels houdt. Volgens de minister kan eiseres verder geen geslaagd beroep doen op artikel 10 van Pro de Dublinverordening en het arrest H en R van het Hof van Justitie van de Europese Unie [4] . De asielaanvraag van de gestelde echtgenoot van eiseres is namelijk afgewezen. Eiseressen kunnen verder geen geslaagd beroep doen op artikel 16 van Pro de Dublinverordening. Het huwelijk met de heer [persoon] en dat hij de vader is van haar dochter is niet aangetoond. Het document van de verloskundigenpraktijk is daartoe onvoldoende. De minister stelt verder rekening te hebben gehouden met artikel 3 van Pro het IVRK [5] , maar de minister heeft dan nog niet meteen de plicht om een asielaanvraag zelf te behandelen. Er is verder geen reden om te denken dat het kind in Polen een ernstig nadeel heeft. Volgens de minister is verder geen sprake van onredelijke hardheid. Dat eiseres problemen heeft met haar familie en zij haar in Polen kunnen vinden, is niet genoeg om onredelijke hardheid aan te nemen. Dat haar gestelde echtgenoot in Nederland is en dat zij een kind met hem heeft, is ook niet genoeg.
2.3.
Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres,
L. Ileri als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister deelgenomen. De dochter en haar vader zijn ook verschenen, maar hebben na het uitroepen van de zaak in de hal van de rechtbank plaatsgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvraag van eiseres en haar dochter niet in behandeling heeft genomen.
Achtergrond
4. Eiseres is in 2021 vanuit Turkije naar Polen gegaan om te studeren en later te werken. Zij is nog een aantal keren teruggegaan naar Turkije. Vanaf februari 2025 verblijft eiseres in Nederland. Eiseres had een verblijfstitel voor Polen die op 19 april 2026 verlopen is.
Belang van het kind
5.1.
Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van het kind, zoals dat is neergelegd in artikel 3 van Pro het IVRK. Eiseres wijst erop dat zij samen met haar echtgenoot en hun gezamenlijke dochter één gezin vormt. Door de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en eiseressen over te dragen aan Polen, wordt het gezin voor onbepaalde tijd van elkaar gescheiden. De dochter heeft haar vader en moeder allebei nodig.
5.2.
Op grond van artikel 24, tweede lid, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het IVRK, vormen de belangen van het kind een eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen. Dit is ook zo vastgelegd in de Dublinverordening. In overweging 13 van de considerans en artikel 6 van Pro de Dublinverordening staat namelijk dat voor de lidstaten bij de toepassing van de Dublinverordening het belang van het kind voorop dient te staan.
5.3.
Uit algemene bronnen en uit diverse internationale verdragen kan worden afgeleid dat voor baby’s en heel jonge kinderen veilige hechting uitermate belangrijk is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling, de taalontwikkeling en de cognitieve ontwikkeling van het kind. Dit proces van hechting – (ook) met andere personen dan de moeder – start vanaf de geboorte waarbij een kind zich in zijn eerste levensjaar gaat hechten aan degenen die het meest met hem zijn. Continuïteit in de aanwezigheid van de gehechtheidspersoon/-personen is belangrijk om een veilige gehechtheidsrelatie te kunnen opbouwen. Kinderen kunnen zich aan een beperkt aantal volwassenen hechten. Het is belangrijk dat die volwassenen regelmatig dichtbij zijn en contact met het kind hebben. [6]
5.4.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft aangetoond dat de heer [persoon] haar echtgenoot is. Er zou sprake zijn van een kerkelijk huwelijk, maar eiseres heeft daaraan geen objectieve bewijsstukken ten grondslag gelegd en haar verklaringen hierover zijn zeer summier. Ook zijn er geen objectieve bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat de heer [persoon] de vader is van de dochter van eiseres. Er is geen geboorteakte of een akte van erkenning in het geding gebracht. Er zijn wel aanwijzingen dat de heer [persoon] de vader is van de dochter van eiseres. In het rapport van de verloskundige staat de naam van de heer [persoon] vermeld. Verder heeft eiseres op de zitting verklaard over de wijze waarop het gezin samenleeft. Eiseres en haar dochter zien de heer [persoon] dagelijks, ook al kunnen zij de nacht niet samen op een locatie doorbrengen. De presentatie van eiseres, haar dochter en de heer [persoon] aan het begin van de zitting kwam op de rechtbank niet onoprecht over. De rechtbank overweegt dat er in ieder geval een begin van bewijs is geleverd dat de heer [persoon] de vader is van dochter van eiseres.
5.5.
Op de zitting heeft eiseres verder verklaard dat het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag en de overdracht aan Polen het volgende met zich brengt. Dan zal zij naar Polen moeten vertrekken met haar éénjarige dochter om daar de asielprocedure te doorlopen. De heer [persoon] kan niet met haar mee, want zijn asielprocedure loopt nog in Nederland in hoger beroep. Pas als de asielprocedure van eiseres is afgerond met een voor haar gunstig gevolg, kan zij om gezinshereniging verzoeken. Dat gaat al met al lang duren en al die tijd zal haar dochter gescheiden moeten leven van haar vader.
5.6.
De rechtbank stelt vast dat de minister zich rekenschap geeft van het feit dat
[persoon] de gestelde echtgenoot van eiseres en de gestelde vader van de dochter van eiseres is, maar dat de minister dit niet betrekt bij het bestreden besluit. De minister heeft geen aandacht besteed aan de zeer jonge leeftijd van de dochter van eiseres, de intensieve zorg die dat met zich brengt en ook niet aan wat het voor haar betekent om haar gestelde vader voor lange tijd te moeten missen. De minister heeft miskend dat behandeling van de asielaanvraag van eiseres en haar dochter en een procedure voor gezinshereniging in Polen lange tijd kan gaan duren en het gezin daardoor voor een langere periode wordt opgesplitst. In het bestreden besluit gaat de minister er namelijk vanuit dat eiseres nog over een werkvergunning beschikte in Polen en zij meteen een verzoek om gezinshereniging kan doen, terwijl deze werkvergunning ten tijde van het bestreden besluit al was verlopen. Evenmin heeft de minister aandacht besteed aan het feit dat de hoger beroepsprocedure van de heer [persoon] hier in Nederland nog loopt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister de belangen van de dochter van eiseres onvoldoende heeft onderzocht en dat er aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft.
5.7.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zogvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Omdat het beroep reeds daarom gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank draagt de minister op om de gebreken te herstellen door het doen van nader onderzoek en een nieuw besluit te nemen. De minister zal daarbij kenbaar de waarborgen van artikel 6 van Pro de Dublinverordening moeten betrekken en beoordelen of toepassing gegeven wordt aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister krijgt daarvoor een termijn van zes weken.
6.2.
Nu met deze uitspraak op het beroep van eiseressen is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
6.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eiseressen een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt
€ 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseressen een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.30659:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.30660:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- proceskosten aan eiseressen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Asylum Information Database.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Zie het arrest van 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280.
5.Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.
6.https://www.nji.nl/kennis/hechting-en-hechtingsproblemen .