ECLI:NL:RBDHA:2026:20544

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/09/707519 / KG ZA 26-687
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:225 BWArt. 6:119 BWArt. 174a lid 1 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming vaststellingsovereenkomst en ontruiming woning na huurachterstand

Eiseressen zijn eigenaren van een woning die sinds februari 2023 door gedaagden wordt gehuurd. Na het ontstaan van een aanzienlijke huurachterstand sloten partijen in februari/maart 2025 een vaststellingsovereenkomst (vso 2025) waarin afspraken werden gemaakt over voortzetting van de huurovereenkomst en tijdige betaling van huur.

Omdat gedaagden de afspraken niet nakwamen, sloten partijen in januari 2026 een nieuwe vaststellingsovereenkomst (vso 2026) waarin werd overeengekomen dat de huurovereenkomst per 1 juni 2026 eindigt en gedaagden uiterlijk op die datum de woning ontruimd en vrij van huur en gebruikersrechten opleveren. Gedaagden zijn hieraan niet voldaan en wonen nog steeds in de woning, terwijl zij sinds maart 2026 vrijwel geen huur meer betaalden.

Eiseressen vorderen in kort geding ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering in een bodemprocedure kans van slagen heeft, gelet op de vaststellingsovereenkomst, de beëindiging van de huurovereenkomst en de aanzienlijke huurachterstand. Het belang van eiseressen bij spoedige ontruiming weegt zwaarder dan het belang van gedaagden bij een langer verblijf, mede vanwege incidenten rondom de woning en het ontbreken van concrete betalingsvoorstellen.

De rechtbank veroordeelt gedaagden tot ontruiming binnen een week na betekening, betaling van de huurachterstand van €15.453,64 en betaling van de maandelijkse gebruiksvergoeding vanaf juli 2026 tot ontruiming. Tevens worden gedaagden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707519 / KG ZA 26-687
Vonnis in kort geding van 22 juli 2026
in de zaak van

1.[eiseres 1] te [woonplaats 1] ,

2.
[eiseres 2]te [woonplaats 2] , [land] ,
eiseressen,
advocaat mr. M.A. van Kleef te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg ,
tegen:

1.[gedaagde 1] te [woonplaats 3] ,

2.
[gedaagde 2]te [woonplaats 3]
gedaagden,
in persoon verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseressen] ’ en ‘ [gedaagden] ’

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de op 8 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiseressen] zijn gezamenlijk eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
2.2.
[gedaagden] huren op grond van een schriftelijke huurovereenkomst sinds 1 februari 2023 de woning van [eiseressen] De aanvangshuurprijs bedroeg € 3.500 (€ 3.450 kale huur en €50 vergoeding voor meubilering en/of stoffering en apparatuur). In verband met de overeengekomen jaarlijkse indexering bedraagt de huurprijs sinds 1 februari 2026 € 3.988,41 per maand.
2.3.
[gedaagden] hebben een huurachterstand laten ontstaan. Deze bedroeg op 30 december 2024 € 11.077,50. Partijen zijn naar aanleiding hiervan in overleg getreden met elkaar en hebben op 25 februari 2025 ( [eiseressen] ) respectievelijk 2 maart 2025 ( [gedaagden] ) een vaststellingsovereenkomst ondertekend (hierna ook: de vso 2025). In deze vso zijn partijen, voor zover van belang, overeengekomen dat de huurovereenkomst wordt voortgezet en dat de toekomstige huurpenningen voortaan tijdig worden voldaan, bij gebreke waarvan [gedaagden] de woning binnen een maand na het verschuldigd zijn geraakt van de huurpenningen zullen ontruimen.
2.4.
Omdat [gedaagden] de vso 2025 niet volledig nakwam, zijn partijen wederom met elkaar in overleg getreden. Zij hebben op 5 januari 2026 ( [eiseressen] ) respectievelijk 6 januari 2026 ( [gedaagden] ) een nieuwe vaststellingsovereenkomst ondertekend (hierna: de vso 2026). In deze vso zijn partijen voor zover nu van belang overeengekomen dat:
  • de huurovereenkomst eindigt per 1 juni 2026, of zoveel eerder als [gedaagden] de woning ontruimen en opleveren (de einddatum). Uiterlijk op de einddatum zullen [gedaagden] de woning ontruimd, afsluitbaar, vrij van huur en/of gebruikersrechten, behoorlijk schoongemaakt, onder medeneming van hun eigendommen en afgifte van alle sleutels, keycards en dergelijk van de woning aan [eiseressen] opleveren;
  • partijen tot die einddatum over en weer gebonden zijn aan de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst en uit de vso 2025, maar dat de vso 2026 prevaleert als er sprake is van tegenstrijdigheden.
Later zijn partijen overeengekomen dat [gedaagden] de woning op 8 juni 2026 ontruimd moeten hebben.
2.5.
Op 3 februari 2026 hebben [eiseressen] en [gedaagden] een bestuurlijke waarschuwing ontvangen van de burgemeester van de [gemeente] ., omdat er op 31 december 2025 sprake is geweest van een explosie-incident bij de woning. Uit de brief van de burgemeester blijkt dat er in 2024 en 2025 sprake is geweest van incidenten bij de woning waarbij bedreigingen zijn geuit gericht op [gedaagden] (althans gericht op gedaagde sub 1) en waarbij in elk geval het laatste incident de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat in de directe omgeving heeft verstoord. De bestuurlijke waarschuwing houdt in dat de burgemeester bij een nieuw (ernstig) incident of ernstige dreiging gebruik kan maken van zijn bevoegdheid de woning op grond van artikel 174a lid 1 van de Gemeentewet te sluiten.
2.6.
[gedaagden] hebben de woning niet ontruimd en wonen daar ook nu nog. Zij hebben vanaf maart 2026 geen huur meer betaald, op één betaling van € 500 in juni 2026 na.

3.Het geschil

3.1.
[eiseressen] vorderen – zakelijk weergegeven:
  • [gedaagden] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woning te (doen) ontruimen;
  • [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiseressen] te betalen:
o een bedrag van € 15.453,64 (betalingsachterstand tot en met juni 2026)
o een bedrag van € 3.988,41 (ex artikel 7:225 BW Pro) per maand vanaf de maand juli 2026, een ingegane maand voor een hele gerekend, tot aan het moment dat [gedaagden] de woning hebben ontruimd;
met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure
3.2.
Daartoe voeren [eiseressen] – samengevat – het volgende aan. [eiseressen] vorderen vordering nakoming vso 2026, onder meer inhoudende ontruiming van de woning door [gedaagden] , aangezien de huurovereenkomst per 1 juni 2026 is beëindigd. [gedaagden] verblijven zonder recht of titel in de woning. Bovendien is er een betalingsachterstand van €15.453,64 tot en met juni 2026 en kan met grote mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen dat een bodemrechter de vorderingen zal toewijzen. [eiseressen] hebben spoedeisend belang bij hun vorderingen, omdat zij andere plannen hebben met de woning en financiële schade lijden zolang [gedaagden] de woning niet ontruimen en geen huurpenningen of gebruiksvergoedingen voldoen.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Ontruiming
4.1.
In dit kort geding moet worden beoordeeld of de vordering van [eiseressen] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door toewijzing van de vordering in dit kort geding. Ontruiming is een verstrekkende maatregel en bij de beoordeling van zo’n vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding. De voorzieningenrechter zal de gevorderde ontruiming toewijzen en licht dat hierna toe.
4.2.
Tussen partijen staat vast dat zij een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten waarin zij zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst (uiterlijk) per 1 juni 2026 eindigt en dat [gedaagden] uiterlijk op die datum de woning zullen ontruimen. [gedaagden] hebben de gebondenheid aan de vso 2026 niet betwist; zij zijn dus gehouden de daarin vastgelegde afspraken na te komen. Aangezien [gedaagden] de woning niet hebben ontruimd, staat vast dat zij daar zonder recht of titel in verblijven. [eiseressen] kan dan ook nakoming van de vso 2026 vorderen. Daar komt bovendien bij dat [gedaagden] sinds maart 2026 de huur niet betaald hebben (op een bedrag van € 500 na), waardoor er momenteel sprake is van een aanzienlijke huurachterstand. Deze huurachterstand is door [gedaagden] ook niet weersproken en vormt in een bodemprocedure zelfstandige grond voor toewijzing van een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming. De voorzieningenrechter acht gelet op dit alles aannemelijk dat een vordering tot ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Dit betekent dat de vordering tot ontruiming van de woning toewijsbaar is.
4.3.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter licht dat als volgt toe.
4.4.
Vooropgesteld wordt dat [eiseressen] belang hebben bij spoedige ontruiming, alleen al omdat uitgangspunt is dat de vso 2026 moet worden nagekomen. Daar komt bij dat zij momenteel aanzienlijke financiële schade lijden doordat [gedaagden] de huur respectievelijk de (voor de huur in de plaats komende) gebruiksvergoeding niet betalen. Daar komt nog bij dat [eiseressen] geen vertrouwen meer hebben in [gedaagden] als huurder door de incidenten rondom het gehuurde en de bestuurlijke waarschuwing die daarvan het gevolg is. Hoewel [gedaagden] mogelijk terecht aanvoeren dat zij hierin (ook) slachtoffer zijn, zijn de gebeurtenissen ingrijpend en kunnen [eiseressen] zich er in redelijkheid op beroepen dat deze gebeurtenissen hun belang bij een spoedige ontruiming (verder) schragen.
4.5.
Tegenover het belang van [eiseressen] staat het belang van [gedaagden] Zij stellen dat zij een vervangende woning hebben, waarvan de huurovereenkomst ook al is ingegaan. Door buiten hun wil gelegen omstandigheden is de oplevering van die woning echter uitgesteld naar eind augustus of begin september. [gedaagden] hebben geen alternatieve woonruimte en willen daarom een ontruimingstermijn tot medio september 2026.
4.6.
In de gegeven omstandigheden weegt het belang van [eiseressen] bij spoedige ontruiming van de woning zwaarder dan het belang van [gedaagden] bij een langer verblijf in de woning. Gelet op alle hiervoor aan de orde gekomen omstandigheden (de verplichting tot ontruiming, de forse huurachterstand, de incidenten rondom het gehuurde) kan van hen niet gevergd worden dat zij [gedaagden] nog langer in de woning laten verblijven. De voorzieningenrechter tekent daarbij nog aan dat [gedaagden] zelfs niet in het minst concreet hebben gemaakt dat zij op korte termijn in staat zijn de huurachterstand te voldoen en een gebruiksvergoeding ter hoogte van de tot 1 juni jl. geldende huurprijs te voldoen.
Niet betaalde huur / vergoeding ex artikel 7:225 BW Pro
4.7.
[gedaagden] hebben niet betwist dat er een huurachterstand is ontstaan zoals door [eiseressen] gesteld. Omdat de vordering op dit punt samenhangt met de vordering tot ontruiming en er geen afzonderlijk verweer tegen is gevoerd, zal ook deze vordering worden toegewezen.
Proceskosten
4.8.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseressen] worden begroot op:
- dagvaarding € 154,09
- griffierecht € 1.414
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.934,09
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om binnen één week na betekening van dit vonnis de woning gelegen aan het adres [adres] te [plaats] , kadastraal bekend als [kadastraal kenmerk] , te (doen) ontruimen, met het hunne en de hunnen en met medeneming van de eigendommen van [gedaagden] , onder overhandiging van alle sleutels, schoongemaakt ter vrije beschikking aan [eiseressen] te stellen;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseressen] te betalen:
a. een bedrag van € 15.453,64 (betalingsachterstand tot en met juni 2026);
b. een bedrag van € 3.988,41 (ex artikel 7:225 BW Pro) per maand vanaf de maand juli, een ingegane maand voor een hele gerekend, tot aan het moment dat [gedaagden] de woning hebben ontruimd;
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van [eiseressen] van € 2.934,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagden] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
idt