ECLI:NL:RBDHA:2026:20548

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.29799
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening bij afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag werd op 24 juli 2025 afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. Na bezwaar werd dit besluit op 1 mei 2026 bevestigd, waarna verzoeker beroep instelde en een voorlopige voorziening vroeg.

Het verzoek tot voorlopige voorziening strekte ertoe dat verzoeker niet uit Nederland zou worden verwijderd tot vier weken na de beslissing op het beroep en dat de minister een verblijfssticker zou afgeven waarmee verzoeker arbeid als zelfstandige mag verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. De voorzieningenrechter vroeg de minister om een reactie, maar deze bleef uit.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een zwaarwegend en spoedeisend belang had, onder meer vanwege het belang van het rechtmatig verblijf voor het verkrijgen van een terugkeervisum en het voortzetten van zijn onderneming. Door het ontbreken van een reactie van de minister viel de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit. Daarom werd het verzoek toegewezen, met veroordeling van de minister in griffie- en proceskosten.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, verzoeker mag niet worden verwijderd en krijgt verblijfssticker voor zelfstandige arbeid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.29799
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. N. Vreede),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

Bij besluit van 24 juli 2025 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘arbeid als
zelfstandige’ afgewezen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
De minister heeft met het besluit van 1 mei 2026 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat verzoeker niet uit Nederland mag worden verwijderd tot vier weken na de beslissing op het beroep en de minister op te dragen aan verzoeker een verblijfssticker af te geven waaruit blijkt dat hij hangende de beroepsprocedure arbeid als zelfstandige mag verrichten zonder dat hiervoor een tewerkstellingsvergunning nodig is.
Op 26 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter de minister verzocht uiterlijk 3 juli 2026 op dit verzoek te reageren. De minister heeft geen reactie gegeven.
De voorzieningenrechter doet op grond van 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
2. Verzoeker stelt dat hij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoeker is uitzetbaar en hij kan geen verblijfssticker in zijn paspoort krijgen waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt. Dit laatste is voor hem van belang, omdat het goed mogelijk is dat hij hangende de
beroepsprocedure voor zijn onderneming en de continuïteit hiervan moet reizen. Hiervoor heeft hij als Turks onderdaan een terugkeervisum nodig. Dit terugkeervisum kan hij niet krijgen als hij geen rechtmatig verblijf heeft. Daarnaast moet verzoeker zijn onderneming kunnen blijven voortzetten.
3. Omdat de minister desgevraagd zijn belangen niet kenbaar heeft gemaakt, valt de belangenafweging uit in het voordeel van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte griffie- en proceskosten. De proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker niet uit Nederland mag worden verwijderd tot vier weken na de beslissing op het beroep en draagt de minister op aan verzoeker een verblijfssticker af te geven waaruit blijkt dat hij hangende de beroepsprocedure arbeid als zelfstandige mag verrichten zonder dat hiervoor een tewerkstellingsvergunning nodig is;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.