Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De gronden van de beslissing
- de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de opdracht aan een makelaar en de verkoop en levering van de woning aan een derde, tegen een verkoopopbrengst zoals door de makelaar wordt geadviseerd, waarbij de man en de vrouw na aftrek (i) van de verkoopkosten, (ii) de investeringskosten van de man van € 10.578,=, (iii) de door de man voorgeschoten huishoudkosten van € 7.493,82 vermeerderd een bedrag van € 731,37 per maand vanaf april 2026 tot aan de dag van levering en (iv) de resterende hypotheekschuld, ieder de helft van de netto verkoopopbrengst toekomt;
- met bepaling dat, als de vrouw niet voldoet aan hetgeen hiervoor is gevorderd, het vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) in de plaats treedt van de bij toedeling en levering van de woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw, dan wel alle vereisten die nodig zijn voor de verkoop, eigendomsoverdracht en levering van de woning aan een derde;
- de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de overige kosten die samenhangen met de toedeling en levering van de woning, welke betaling mag worden verrekend met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning.
2.De beslissing
- de vrouw haar medewerking verleent aan de opdracht aan de makelaar en de verkoopovereenkomst met een derde;
- de vrouw haar medewerking verleent aan de levering van de woning aan een derde;
- de verkoopkosten;
- de investeringskosten van de man van € 10.578,00, die aan de man toekomen;
- het door de man voorgeschoten aandeel van de vrouw in de huishoudkosten van € 7.493,82,- tot en met maart 2026, nog te vermeerderen met een bedrag van € 731,37 per maand vanaf 1 april 2026 tot het moment van levering van de woning aan een derde, die aan de man toekomen;
- de resterende hypotheekschuld;