ECLI:NL:RBDHA:2026:20551

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704444 / KG ZA 26-461
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:4 BWArt. 4:190 lid 4 BWArt. 705 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag in geschil over verdeling nalatenschappen ouders

Eiseres en gedaagde, zussen en erfgenamen van hun overleden ouders, zijn in geschil over de verdeling van de nalatenschappen van hun moeder en vader. Gedaagde heeft conservatoir derdenbeslag gelegd op gelden die voortvloeien uit de toedeling van appartementsrechten uit de nalatenschap van de vader, ter zekerheid van een vordering op eiseres.

De vordering van gedaagde is gebaseerd op een vermeende overeenkomst tussen partijen om de bevoordeling van eiseres bij leven van de moeder te verrekenen met haar aandeel in de nalatenschap van de vader, zodat beiden per saldo een gelijk bedrag ontvangen. Eiseres betwist het bestaan van deze overeenkomst en stelt dat het beslag onrechtmatig en vexatoir is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er voldoende aanwijzingen zijn voor het bestaan van de overeenkomst en dat de vordering van gedaagde voor een bedrag van circa € 850.000,- resteert na beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van de moeder door gedaagde. Omdat het aandeel van eiseres in de nalatenschap van de vader voldoende is om deze vordering te voldoen, is het beslag onnodig en wordt het opgeheven. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het conservatoir derdenbeslag wordt opgeheven omdat de vordering kan worden voldaan uit het aandeel van eiseres in de nalatenschap van de vader.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704444 / KG ZA 26-461
Vonnis in kort geding van 1 juni 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. drs. M.R. van Leeuwen te Zoetermeer,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats 2] , [land] ,
gedaagde,
advocaat mr. K.A. Boshouwers te Utrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de concept-dagvaarding met producties 1 tot en met 7, waarop gedaagde vrijwillig is verschenen;
- de door gedaagde overgelegde conclusie van antwoord, met productie 1;
- de op 18 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eiseres pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Eiseres en gedaagde zijn zussen van elkaar. Zij zijn geboren uit het huwelijk van [de moeder] (hierna: de moeder) en [de vader] (hierna: de vader).
2.2.
De moeder is overleden op [datum 1] 2023 en de vader is overleden op [datum 2] 2024. Zij waren toen al tientallen jaren gescheiden en voerden ieder een eigen financiële huishouding.
2.3.
De moeder heeft bij testament van [datum 3] 2017 over haar nalatenschap beschikt. Voor zover nu van belang heeft zij het volgende in haar testament opgenomen:
  • zij heeft aan een aantal stichtingen en personen een bedrag in contanten gelegateerd;
  • zij heeft eiseres en gedaagde voor gelijke delen tot haar erfgenaam benoemd;
  • de blote eigendom van haar woning heeft zij gelegateerd aan de zoon en dochter van eiseres, onder toekenning van het recht van vruchtgebruik van deze woning aan eiseres en haar echtgenoot, de heer [naam 1] .
  • [naam 1] is tot executeur van haar nalatenschap en tot afwikkelingsbewindvoerder benoemd;
  • dat zij voor 1 januari 2013 geen tot inbreng gehouden giften heeft gedaan aan haar afstammelingen en hen vrijstelt van inbreng van de giften die vanaf die datum zijn gedaan.
2.4.
De vader heeft bij testament van [datum 4] 2017 over zijn nalatenschap beschikt en heeft hier bij akte van 28 augustus 2018 wijzigingen in aangebracht. In zijn uiterste wilsbeschikking heeft hij:
  • aan zijn kleinkinderen een bedrag gelegateerd ter grootte van het op moment van zijn overlijden van erfrecht vrijgestelde bedrag;
  • eiseres en gedaagde voor gelijke delen benoemd tot zijn erfgenaam, waarbij hij hen heeft verzocht om, voor zover een van hen door giften van de moeder zou zijn overbedeeld, zijn nalatenschap zo te verdelen dat ieder van hen een gelijk aandeel in het vermogen van hun ouders verkrijgt;
  • de heer [naam 2] tot zijn executeur benoemd.
2.5.
[naam 1] en [naam 2] hebben beiden hun benoeming tot executeur aanvaard.
2.6.
De afwikkeling van de nalatenschappen van de moeder en de vader is nog niet afgerond, er zijn diverse geschilpunten daarover tussen partijen. Er heeft overleg tussen partijen plaatsgevonden, waarbij ook [naam 2] betrokken is geweest.
2.7.
Op 25 september 2025 heeft gedaagde de nalatenschap van de moeder beneficiair aanvaard. Omdat [naam 1] een ruimschootsverklaring heeft afgelegd, is hij executeur gebleven.
2.8.
Bij dagvaarding van 20 november 2025 heeft gedaagde een bodemprocedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt (zaak met kenmerk C/09/695736 / HA ZA 25-1095, hierna: de bodemprocedure). [1] In deze procedure vordert gedaagde:
- voor recht te verklaren dat eiseres en gedaagde na het overlijden van de moeder in onderling overleg hebben vastgesteld dat eiseres ten opzichte van gedaagde bij leven van en op grond van het testament van de moeder ten opzichte van gedaagde voor een bedrag van € 2.823.000,= is overbedeeld [2] ;
- voor recht te verklaren dat partijen zijn overeengekomen dat eiseres het bedrag van € 2.823.000,= [3] na het overlijden van de vader aan gedaagde zou voldoen, (al dan niet) ten laste van haar aandeel in de nalatenschap van de vader;
- eiseres te veroordelen tot het voldoen van € 2.823.000,= [4] [voorzieningenrechter: dit wordt na eiswijziging een bedrag van € 1.411.500,=] aan gedaagde.
Gedaagde legt aan haar vorderingen in de bodemprocedure kort samengevat ten grondslag dat partijen, onder leiding van [naam 2] , zijn overeengekomen om – in afwijking van de bepaling in het testament van de moeder dat er geen inbreng van giften hoefde plaats te vinden – de bedragen waarmee eiseres ten opzichte van gedaagde was overbedeeld gelijk te trekken, zodat zij beiden een gelijk aandeel in de nalatenschap van erflaatster kregen. Zij hebben uiteindelijk tot uitgangspunt genomen dat eiseres ten opzichte van gedaagde bij leven van moeder voor € 1.700.000,= is bevoordeeld. Zij zijn verder overeengekomen dat gedaagde afstand zou doen van de nalatenschap van moeder, hetgeen een bevoordeling van eiseres van € 1.123.000,= oplevert. Volgens gedaagde zijn partijen overeengekomen dat het bedrag waarmee eiseres ten opzichte van gedaagde is bevoordeeld na het overlijden van de vader kon worden verrekend met het aandeel van eiseres in die nalatenschap.
2.9.
Eiseres heeft op 18 februari 2026 een conclusie van antwoord in de bodemprocedure ingediend. Zij betwist dat partijen een afspraak hebben gemaakt over het rechttrekken van de mate van overbedeling. Volgens haar hebben partijen alleen overleg gevoerd om te bekijken of de legitieme portie van gedaagde in de nalatenschap van de moeder was geschonden en is geen overeenkomst tot stand gekomen tussen partijen. Voor zover dat anders is, is er volgens eiseres sprake van een nietige, dan wel vernietigbare of ontbonden overeenkomst.
2.10.
De vader was bij overlijden eigenaar van een aantal appartementsrechten aan de [straatnaam] te [plaats] (hierna: de appartementsrechten). Er bestond tussen partijen een geschil over de wijze van verkoop van de appartementsrechten. Partijen zijn uiteindelijk eind 2025 / in het eerste kwartaal van 2026 ten aanzien van deze appartementsrechten een partiële verdeling va de nalatenschap overeengekomen. De appartementsrechten zijn op grond van deze afspraak voor een waarde van € 1.600.000,= toegedeeld aan gedaagde, tegenover betaling door gedaagde aan eiseres van een bedrag van € 800.000,=. De levering aan gedaagde heeft plaatsgevonden op 24 april 2026. Voorafgaand aan die levering heeft gedaagde € 800.000,= overgemaakt naar de derdenrekening van de notaris om na levering uit te keren aan eiseres.
2.11.
Bij verzoekschrift van 13 maart 2026 heeft gedaagde aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd om conservatoir derdenbeslag te mogen leggen op – kort samengevat – de gelden die de notaris onder zich heeft of krijgt als gevolg van de toedeling van de appartementsrechten aan gedaagde, ter zekerheid van verhaal van de vordering die zij uit hoofde van de volgens haar bestaande overeenkomst over de nalatenschap van de moeder op eiseres heeft. Gedaagde heeft in het beslagrekest gesteld dat het netto aandeel van beide partijen in de nalatenschap van de vader na aftrek erfbelasting € 1.782.934,- per persoon bedraagt. Na verdeling van de appartementsrechten resteert nog een bedrag van € 982.934,00 aan waarde van de overige vermogensbestanddelen wat aan eiseres zou toekomen. Dat is minder dan de vordering die gedaagde op eiseres heeft in verband met de nalatenschap van de moeder (namelijk €1.411.500,=). Omdat gedaagde vrees heeft dat eiseres vermogensobjecten aan verhaal zal proberen te onttrekken wil zij conservatoir beslag leggen op het aandeel van eiseres in de te verdelen appartementsrechten. Het gevraagde verlof is verleend op 13 maart 2026. Gedaagde heeft na levering van de appartementsrechten aan haar beslag laten leggen onder de notaris op het bedrag van € 800.000,=.

3.Het geschil

3.1.
Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – gedaagde op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle beslagen ten laste van eiseres gelegd uit kracht van het verkregen verlof op te heffen, met veroordeling van gedaagde in de reële kosten van deze procedure, tot op heden begroot op € 7.500,=.
3.2.
Daartoe voert eiseres – samengevat – het volgende aan. Eiseres betwist dat er een overeenkomst tussen gedaagde en haar tot stand is gekomen, zoals gedaagde stelt. De vermeende overeenkomst over de verdeling van de nalatenschap zou overigens op grond van het bepaalde in artikel 4:4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) nietig zijn. En zou het anders zijn, dan biedt het aandeel van [eiseres] in de nalatenschap van vader, ook na de onttrekking uit de boedel (de partiële verdeling) van de appartementsrechten, nog ruimschoots voldoende middelen voor gedaagde om zich op te verhalen, mocht zij in de bodemprocedure toch gelijk krijgen. Er was daarom geen enkele reden voor het beslag, zodat het beslag vexatoir is. Het beslag is bovendien te kwader trouw gelegd. Op initiatief van gedaagde is er een partiële verdeling tot stand gekomen. Het is dan in strijd met de bereikte overeenstemming over die partiële verdeling (waarin gedaagde aan eiseres in het vooruitzicht heeft gesteld haar dadelijk een bedrag van € 800.000,-- in contanten te voldoen) om beslag te leggen op het geldbedrag dat eiseres toekomt. Het handelen van gedaagde is disproportioneel, onnodig en vindt plaats alleen om eiseres te treiteren en dwars te zitten. Gedaagde handelt aldus (zo begrijpt de voorzieningenrechter het betoog van eisers) onrechtmatig jegens eiseres en is daarom gehouden de reële kosten van eiseres voor dit kort geding te vergoeden. Die kosten begroot eiseres op € 7.500,=.
3.3.
Gedaagde voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Op grond van artikel 705 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een gelegd conservatoir beslag onder meer opgeheven als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van een kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.
4.2.
Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat eiseres bij leven door de moeder is bevoordeeld voor een bedrag van € 1.700.000,=. Partijen nemen ook beiden tot uitgangspunt dat de nalatenschap van de moeder een waarde heeft van € 1.123.000,= heeft. Eiseres stelt in de dagvaarding uitdrukkelijk dat zij over de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen over het onderling rechttrekken van de bevoordeling van eiseres in die zin dat – conform de wens van de vader in zijn testament – ieder van partijen uit de nalatenschap van beide ouders per saldo hetzelfde zou ontvangen, binnen het bestek van dit kort geding geen oordeel vraagt. De vorderingen van eiseres zijn echter niet te beoordelen zonder een voorlopig oordeel hierover. De voorzieningenrechter gaat er op grond van de in dit kort geding ingenomen stellingen vanuit dat die overeenstemming er inderdaad is. Eiseres heeft de gemotiveerde stellingen van gedaagde op dit punt, zowel opgenomen in het beslagrekest als in haar conclusie van antwoord, onvoldoende weersproken. Dit had – gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader – wel op haar weg gelegen. Overigens neemt de voorzieningenrechter in dit verband ook de door gedaagde overgelegde brief van [naam 2] in aanmerking. Bij brief van 11 mei 2026 aan beide advocaten heeft [naam 2] gereageerd op de door eiseres in de bodemprocedure ingediende conclusie van antwoord. [naam 2] licht de gang van zijn rondom zijn betrokkenheid bij het overleg tussen partijen toe. Volgens hem is de stelling van eiseres dat het overleg over de omvang van de bevoordeling die zij bij leven van haar moeder heeft genoten betrekking had op de berekening van de legitieme portie
“pertinent onjuist”.Hij stelt uitdrukkelijk dat uitgangspunt bij het overleg was dat ieder van partijen
“onderaan de streep uit beide nalatenschappen per saldo een gelijk bedrag zou ontvangen conform de wens van vader (die op dat moment nog leefde)”. Verder schrijft hij dat de afspraak over een gelijke verdeling in feite al was gemaakt voordat de inventarisatie van de omvang van de bevoordeling van eiseres was voltooid en ging het bij die inventarisatie alleen nog over het bereiken van overeenstemming over de omvang van de bevoordeling.
4.3.
Voorshands kan ook niet worden aangenomen dat sprake is van een nietige overeenkomst op grond van artikel 4:4 BW Pro. De afspraken waar de vermeende vordering van gedaagde op eiseres uit voortvloeit hebben betrekking op de nalatenschap van de moeder. Dat die vordering vervolgens zou worden voldaan uit het aandeel van eiseres in de nalatenschap van de vader betekent niet dat sprake is van een nietige rechtshandeling als bedoeld in artikel 4:4 BW Pro. Eiseres wordt door die afspraak immers niet belemmerd in haar vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen die haar op grond van de wet met betrekking tot de nalatenschap van de vader toekomen. Evenmin staat de omstandigheid dat gedaagde de nalatenschap van de moeder alsnog beneficiair heeft aanvaard eraan in de weg om binnen het bestek van dit kort geding van het bestaan van de overeenkomst uit te gaan. Het essentiële deel van de overeenkomst is immers dat partijen het eens zijn over de bevoordeling van eiseres bij leven, de waarde van de nalatenschap en de bedoeling van partijen dat zij beiden uit de nalatenschap van beide ouders per saldo een gelijk bedrag ontvangen. Dat wordt niet anders door de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van de moeder door gedaagde.
4.4.
Gelet op het vorenstaande gaat de voorzieningenrechter er vooralsnog van uit dat gedaagde op grond van een overeenkomst tussen partijen een vordering op eiseres heeft. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of het beslag vanwege de uit die overeenkomst voortvloeiende vordering gerechtvaardigd is. Dat is niet het geval. De voorzieningenrechter licht dat als volgt toe.
4.5.
De vordering van gedaagde op eiseres heeft twee bestanddelen: vergoeding voor bevoordeling van eiseres bij leven van de moeder en voor de toedeling van de volledige nalatenschap van de moeder aan eiseres. Gedaagde heeft echter inmiddels de nalatenschap van de moeder beneficiair aanvaard. Zo’n beneficiaire aanvaarding is in beginsel – op grond van het bepaalde in artikel 4:190 lid 4 BW Pro – onherroepelijk. Gedaagde heeft niet duidelijk gemaakt hoe, ondanks haar beneficiaire aanvaarding, nog onverkorte nakoming verlangd kan worden van de volgens haar gemaakte afspraak dat de volledige nalatenschap van de moeder aan eiseres wordt toebedeeld. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat de helft van de waarde van de nalatenschap van de moeder aan gedaagde toekomt en in mindering komt op de vordering die gedaagde op eiseres heeft (of anders gezegd: dat er alleen sprake is van een vordering van gedaagde op eiseres uit hoofde van de bevoordeling van eiseres bij leven). Van de gestelde vordering van gedaagde op eiseres resteert dan slechts een bedrag van € 850.000,= (namelijk de helft van € 1.700.000,=, het bedrag van de bevoordeling van eiseres bij leven van de moeder).
4.6.
Onderdeel van de gemaakte afspraken is dat eiseres de vordering van gedaagde op haar zou voldoen uit haar aandeel in de nalatenschap van de vader. Partijen nemen geen eenduidig standpunt in over de waarde van de nalatenschap van de vader, volgens eiseres is de waarde hoger dan volgens gedaagde. Ook als gedaagde in haar stellingen gevolgd wordt, is echter het aandeel van eiseres in de nalatenschap van de vader voldoende om de nog resterende vordering te voldoen. Gedaagde stelt immers dat het saldo van de nog te verdelen boedelbestanddelen van de nalatenschap van de vader een bedrag van € 880.000,= tot € 982.934,= (netto) per persoon bedraagt. Dit saldo is dus toereikend om de vordering van gedaagde op eiseres – indien gedaagde in de bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld – te verrekenen.
4.7.
Gelet op het vorenstaande is er – mede gelet op de afspraak dat de vordering wordt verrekenend met het aandeel van eiseres in de nalatenschap van de vader – geen grond om het beslag te handhaven. Als gedaagde in de bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld, kan nog worden gehandeld zoals partijen volgens gedaagde per saldo zijn overeengekomen. Ook een belangenafweging maakt dit oordeel niet anders. Gedaagde heeft niet gesteld waarom zij bij deze stand van zaken nog enig belang heeft bij het conservatoire beslag. Bovendien acht de voorzieningenrechter de beslaglegging op het tegoed van eiseres op de kwaliteitsrekening van de notaris ongepast omdat uitkering van dit bedrag onderdeel vormde is van de overeenstemming – die niet zonder slag of stoot tot stand kwam – tussen partijen om te komen tot een partiële verdeling. De handelwijze van gedaagde komst in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid die partijen als erfgenamen bindt.
4.8.
Slotsom is dat het beslag moet worden opgeheven. Om executieproblemen te vermijden zal gedaagde niet worden veroordeeld tot de opheffing over te gaan, maar zal de voorzieningenrechter zelf tot opheffing overgaan.
4.9.
Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De voorzieningenrechter ziet in de stellingen van eiseres over de proceskosten geen aanleiding om gedaagde in de reële proceskosten te veroordelen. Omdat gedaagde vrijwillig is verschenen worden geen dagvaardingskosten in de begroting van de proceskosten begrepen. De proceskosten van eiseres worden begroot op:
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.707,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
heft op het namens gedaagde op grond van het door de voorzieningenrechter in de zaak met kenmerk C/09/701252 / KG RK 26-454 op 13 maart 2026 verleende verlof onder [notariskantoor] B.V. gelegde conservatoire derdenbeslag ten laste van eiseres;
5.2.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van eiseres van € 1.707,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.
idt

Voetnoten

1.In de bodemprocedure is de rol van partijen anders dan in dit kort geding. Eiseres in kort geding is in de bodemprocedure gedaagde en gedaagde in dit kort geding is in de bodemprocedure eiseres. In dit vonnis worden partijen telkens aangeduid met de rol die zij in dit kort geding hebben.
2.Na het uitbrengen van de dagvaarding in de bodemprocedure heeft gedaagde zelf vastgesteld dat de berekening van haar vordering op eiseres in de dagvaarding in de bodemprocedure onjuist is. Het bedrag van € 2.823.000,= is het bedrag waarmee eiseres volgens gedaagde is overbedeeld ten opzichte van gedaagde en eiseres moet de helft hiervan (€ 1.411.500,-) aan gedaagde vergoeden. Gedaagde heeft aangekondigd dat zij haar vordering in de bodemprocedure dienovereenkomstig zal verminderen.
3.Dit wordt na eiswijziging een bedrag van € 1.411.500,=.
4.Dit wordt na eiswijziging een bedrag van € 1.411.500,=.