ECLI:NL:RBDHA:2026:20553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL25.29692
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.51 VbArt. 8 EVRMArt. 13 VwArt. 8:72 AwbArt. 11 Rijkswet op het Nederlanderschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf voor niet-tijdelijke humanitaire gronden onterecht

Eiser, een oud-Nederlander geboren en getogen in Nederland maar momenteel woonachtig in Marokko, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel 'Niet-tijdelijke humanitaire gronden'. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af omdat eiser niet als Nederlander in Nederland zou zijn geboren, een extra eis die volgens verweerder uit de beleidsregels volgt.

De rechtbank oordeelt dat deze extra eis niet uit de wet- en regelgeving volgt, maar slechts uit een beleidsaanhef die in strijd is met het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank stelt vast dat eiser voldoet aan de wettelijke voorwaarden en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt, mede omdat de broer van eiser op dezelfde gronden wel een mvv heeft gekregen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en beveelt de minister om per omgaande een mvv te verstrekken. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen per omgaande een mvv te verstrekken voor niet-tijdelijke humanitaire gronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.29692
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1985, van Marokkaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S. Thelosen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. den Hollander).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
1.2.
Met het besluit van 17 april 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een mvv afgewezen. Met het besluit van 12 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser via een digitale verbinding, mr. F.S. Fahad als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser is op [geboortedag] 1985 geboren in [geboorteplaats] . Op 12 september 2007 heeft eiser Nederland verlaten. Hij is momenteel woonachtig in Marokko. Eiser op heeft op 23 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv voor het verblijfsdoel ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder legt hieraan ten grondslag dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het verblijfsdoel ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’, zoals neergelegd in artikel 3.51 van het Vb [1] en paragraaf B9/2.1 van de Vc [2] . Verweerder stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor wedertoelating als oud-Nederlander op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb, omdat hij niet met de Nederlandse nationaliteit is geboren. Gebleken is dat de ouders van eiser het Nederlanderschap hebben verkregen bij Koninklijk Besluit van
17 augustus 1990. Eiser was op dat moment minderjarig en heeft op grond van artikel 11 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap gedeeld in de naturalisatie van zijn ouders. De Marokkaanse nationaliteit van eiser ging hierdoor niet verloren. De broer van eiser heeft weliswaar op dezelfde gronden een vergunning gekregen, maar in zijn geval is sprake van een ambtelijke misslag omdat ook hij niet als Nederlander in Nederland is geboren. Verweerder stelt daarnaast dat geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om aan eiser verblijf in Nederland toe te staan. Verweerder stelt verder dat ook niet is gebleken van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [3] . Verweerder stelt ten slotte dat geen sprake is van internationale verplichtingen, een wezenlijk Nederlands belang of humanitaire redenen die maken dat de aanvraag moet worden ingewilligd op grond van artikel 13 van Pro de Vw [4] .

Het oordeel van de rechtbank

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser is geboren en getogen in Nederland. Eiser heeft als minderjarige gedeeld in de naturalisatie van zijn ouders en zodoende de Nederlandse nationaliteit gekregen. Eiser verblijft echter in Marokko. Hij is niet langer in het bezit van de Nederlandse nationaliteit omdat hij deze is verloren. Zijn aanvraag is gericht op wedertoelating als oud-Nederlander.
5. Het geschil ziet op de vraag of verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen, omdat eiser niet
als Nederlanderin Nederland is geboren. Volgens verweerder is daarmee niet voldaan aan de voorwaarden voor het verblijfsdoel ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’ zoals neergelegd in artikel 3.51 van het Vb en paragraaf B9/2.1 van de Vc. Verweerder verwijst hierbij naar de aanhef in paragraaf B9/2.1 van de Vc en de toelichting daarbij [5] .
6. Eiser voert aan dat hij voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb, omdat hij een in Nederland geboren en getogen oud-Nederlander is. Eiser stelt dat het Vb, waar paragraaf B9/2.1 van de Vc op voortborduurt, niet vereist dat de vreemdeling geboren is als Nederlander. Volgens eiser stelt verweerder ten onrechte dat uit het beleid volgt dat het moet gaan om iemand die als Nederlander in Nederland geboren is. Dit volgt ook niet uit de beleidstekst zelf. Eiser doet in dit verband ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat de aanvraag van zijn broer op dezelfde gronden is ingewilligd.
7.1.
Artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb luidt als volgt:
“De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking, verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling, die:
(…)
een in Nederland geboren en getogen oud-Nederlander is;
(…).”
7.2.
Paragraaf B9/2.1 van de Vc luidt als volgt:
“2.1. Als Nederlander in Nederland geboren en getogen oud-Nederlanders
De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, Vb. Het in Nederland zijn geboren en getogen houdt in dat de vreemdeling in Nederland is geboren en minstens de hele basisschool in Nederland heeft doorlopen.”
7.3.
Uit de toelichting bij het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 22 maart 2021, nummer WBV 2021/4, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 blijkt het volgende:
“In paragraaf B9/2.1 Vc is verduidelijkt dat het bij deze beleidsregel moet gaan om oud-Nederlanders, die als Nederlander in Nederland zijn geboren en getogen. In 2013 is de toevoeging ‘als Nederlander’ weggehaald, zonder dat er een beleidswijziging was beoogd. Gebleken is dat dit heeft geleid tot onduidelijkheid over de vraag of een in Nederland geboren en getogen oud-Nederlander ook als Nederlander moest zijn geboren. Die vraag wordt dus – mede gelet op de voorgeschiedenis – bevestigend beantwoord.”
8.1.
De rechtbank stelt vast dat uit artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb volgt dat de voorwaarde is dat de vreemdeling een in Nederland geboren en getogen oud-Nederlander betreft. De rechtbank overweegt dat in het Vb noch in andere hogere regelgeving de voorwaarde is genoemd dat het hierbij tevens moet gaan om een als Nederlander in Nederland geboren oud-Nederlander. Deze extra eis volgt met andere woorden niet uit de wet- en regelgeving, maar enkel uit een aanhef in een beleidstekst en de toelichting daarop. Voor zover de aanhef van paragraaf B9/2.1 van de Vc “2.1. Als Nederlander in Nederland geboren en getogen oud-Nederlanders” al moet worden opgevat als beleid, wordt hiermee het wettelijk kader uit het Vb dus onjuist geïnterpreteerd en overschreden. Aan verweerder is niet de bevoegdheid toegekend om af te wijken van een wettelijk vereiste. De rechtbank overweegt dat beleid buiten toepassing moet worden gelaten voor zover dit in strijd is met een hogere regeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanhef van paragraaf B9/2.1 onverbindend is, omdat deze aanhef in strijd is met artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb.
8.2.
De conclusie luidt dat verweerder ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij niet aan de voorwaarden van de gevraagde verblijfsvergunning voldoet omdat hij niet als Nederlander in Nederland is geboren. De beroepsgrond slaagt.
8.3.
Het voorgaande brengt mee dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook slaagt. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een (in feitelijke en juridische zin) gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze. In dit geval moet voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel sprake zijn van een vergelijkbare situatie waarin wel een mvv is verleend. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat aan de broer van eiser op dezelfde gronden een mvv is verleend. Dat het om vergelijkbare en gelijke gevallen gaat heeft verweerder ook niet betwist. Verweerder heeft destijds de broer van eiser niet tegengeworpen dat hij niet als Nederlander in Nederland is geboren. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in de rechtsoverwegingen 8.1 tot en met 8.3 is echter geen sprake van een ambtelijke misslag.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. Met het wegvallen van de besproken voorwaarde staat vast dat eiser aan de voorwaarden van de vergunning voldoet. Met het oog op finale geschillenbeslechting zal de rechtbank dan ook met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiser gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en verweerder op te dragen per omgaande aan eiser een mvv te verstrekken voor het doel ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • draagt verweerder op per omgaande aan eiser een mvv te verstrekken voor het doel ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Belhadi, griffier
.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenbesluit 2000.
2.Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Vreemdelingenwet 2000.
5.Staatscourant 2021, 14603.