ECLI:NL:RBDHA:2026:20554
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
De rechtbank Den Haag heeft op 22 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin eiser bezwaar maakte tegen het voortduren van de aan hem opgelegde vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring en verzocht tevens om een schadevergoeding.
De rechtbank overwoog dat de maatregel van vreemdelingenbewaring reeds eerder was getoetst en toen rechtmatig werd bevonden. De beoordeling richtte zich daarom op de periode na het sluiten van het eerdere onderzoek. Eiser stelde dat de bewaring niet voortvarend werd uitgevoerd, zoals vereist volgens artikel 15 van Pro Richtlijn 2008/115/EG, en dat het bewijs daarvoor ontbrak.
De rechtbank stelde vast dat verweerder op 16 juli 2026 schriftelijk contact had opgenomen met de Marokkaanse autoriteiten, wat voldoende voortvarendheid toont gezien de korte termijn sinds de eerdere toetsing. Er waren geen bijzondere omstandigheden die andere handelingen vereisten. Ook ontbrak het aan bewijs dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn was.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.