ECLI:NL:RBDHA:2026:20554

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.40212
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 15 Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 22 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin eiser bezwaar maakte tegen het voortduren van de aan hem opgelegde vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring en verzocht tevens om een schadevergoeding.

De rechtbank overwoog dat de maatregel van vreemdelingenbewaring reeds eerder was getoetst en toen rechtmatig werd bevonden. De beoordeling richtte zich daarom op de periode na het sluiten van het eerdere onderzoek. Eiser stelde dat de bewaring niet voortvarend werd uitgevoerd, zoals vereist volgens artikel 15 van Pro Richtlijn 2008/115/EG, en dat het bewijs daarvoor ontbrak.

De rechtbank stelde vast dat verweerder op 16 juli 2026 schriftelijk contact had opgenomen met de Marokkaanse autoriteiten, wat voldoende voortvarendheid toont gezien de korte termijn sinds de eerdere toetsing. Er waren geen bijzondere omstandigheden die andere handelingen vereisten. Ook ontbrak het aan bewijs dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn was.

De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.40212
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 19 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
2.1
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
2.2
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
2.3
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 juli 2026 (in de zaak NL26.34569) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de vreemdelingenbewaring volgens artikel 15, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG zo kort mogelijk moet duren en niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering. Volgens eiser blijkt uit het M120-formulier niet dat er voortvarend is gehandeld door verweerder. Volgens eiser maakt het gestelde in het voortgangsrapport dit niet anders, omdat het gaat om een niet met bewijs onderbouwd partijstandpunt.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De reden hiervoor is dat verweerder in de te beoordelen periode op 16 juli 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Gezien de korte termijn sinds de eerdere toetsing van de maatregel, acht de rechtbank dat voldoende voortvarend. Het is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden die op dit moment maken dat van verweerder gevergd kan worden ook andere handelingen te verrichten. De rechtbank ziet verder in de omstandigheid dat door verweerder geen bewijsstukken zijn overgelegd van de LP-aanvraag, geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen is opgenomen in de voortgangsrapportage.
6. Overigens is ook niet gebleken dat er geen zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn, nu de zicht op uitzetting naar Marokko in algemene zin niet ontbreekt. Eiser heeft hierover verder niets aangevoerd.
7. Verder leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.