ECLI:NL:RBDHA:2026:20555
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 28 april 2026 aan hem is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist het voortduren van de bewaring en verzoekt tevens om schadevergoeding.
De rechtbank heeft eerder op 17 juni 2026 het beroep van eiser tegen het oorspronkelijke besluit tot bewaring ongegrond verklaard. In deze procedure wordt alleen het voortduren van de maatregel beoordeeld vanaf het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. De rechtbank stelt vast dat er zicht is op afgifte van een laissez-passer (LP) door de Marokkaanse autoriteiten en op uitzetting binnen een redelijke termijn. De LP-aanvraag is in onderzoek en er is geen aanwijzing dat de autoriteiten geen LP zullen afgeven.
De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is en dat er geen grond is voor schadevergoeding. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan in de eerdere uitspraak. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.