ECLI:NL:RBDHA:2026:20557

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.23375
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening verlenging gecombineerde vergunning verblijf en arbeid

Verzoeker heeft bij besluit van 5 december 2025 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). Na het ongegrond verklaren van zijn bezwaar op 17 april 2026, heeft verzoeker beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om zijn werkzaamheden te mogen voortzetten tijdens de beroepsprocedure.

De voorzieningenrechter heeft op 24 april 2026 de minister verzocht te reageren, waarop de minister op 4 mei 2026 heeft gereageerd met een ongemotiveerd verzet tegen het verzoek. Verzoeker stelde dat het wegvallen van zijn werk grote psychische spanning veroorzaakt, mede door zijn beperkte sociale netwerk en het belang van zijn werk als kok voor zijn mentale gesteldheid.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister zijn belangen onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de belangenafweging uitkomt in het voordeel van verzoeker. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de vertrekplicht wordt opgeschort en verzoeker mag blijven werken gedurende de beroepsprocedure.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor verzoeker mag blijven werken gedurende de beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.23375

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. J. van Putten),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Inleiding

Bij besluit van 5 december 2025 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
De minister heeft met het besluit van 17 april 2026 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe om verzoeker toe te staan zijn werkzaamheden te continueren gedurende de beroepsprocedure.
Op 24 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de minister verzocht binnen één week op dit verzoek te reageren. De minister heeft hier op 4 mei 2026 op gereageerd.
De voorzieningenrechter doet op grond van 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak
zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
2. Verzoeker stelt dat hij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Dat verzoeker voor onbepaalde tijd zonder werk komt te zitten, de grote onzekerheid over zijn verblijfsrechtelijke positie en daarmee samenhangende dienstverband, brengen voor hem een grote mate van psychische spanning mee. Hierbij dient voor ogen gehouden te worden dat verzoeker in Nederland geen familie en, gelet op zijn relatief korte verblijf, slechts een beperkt sociaal netwerk heeft, dat grotendeels samenhangt met zijn werkomgeving. Zijn werkzaamheden als kok vormen voor hem dan ook niet alleen een bron van inkomsten, maar deze bieden ook structuur, sociale contacten en hij haalt er bovendien veel plezier uit. Het wegvallen hiervan zal dan ook van een negatieve impact zijn op zijn mentale gesteldheid.
3. De minister heeft bij brief van 4 mei 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat hij zich verzet tegen hetgeen is verzocht.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister zijn belangen onvoldoende kenbaar heeft gemaakt door zich ongemotiveerd te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. De belangenafweging valt dan ook in het voordeel van verzoeker uit. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte griffie- en proceskosten. De proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat de vertrekplicht wordt opgeschort en dat verzoeker gedurende de beroepsprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.