ECLI:NL:RBDHA:2026:20567

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL25.16822
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.13 VbArt. 3.19 VbisArt. 3.72 VbArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en familieband

Eiseres, een minderjarig kind van Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij haar moeder (referente) in Nederland. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af wegens twijfel aan de authenticiteit van de overgelegde geboorteakte en het ontbreken van een geldig paspoort. Tevens werd de familierechtelijke relatie betwist.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden van eiseres, waaronder haar status als buitenwettig kind, de moeilijkheid om officiële documenten in Eritrea te verkrijgen en de situatie in Eritrea zelf. De rechtbank acht de doopakte als indicatief bewijs en neemt het rapport van een rechtsgeldig verwantschapsonderzoek mee dat de moeder-dochterrelatie bevestigt.

De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres niet aan het paspoortvereiste zou voldoen en onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de identiteit en familieband. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en het belang van het kind.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.16822
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 2008, van Eritrese nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. C. Mayne),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. den Hollander).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in de procedure Toegang en Verblijf (TEV) voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’.
1.2.
Met het besluit van 15 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Met het besluit van 8 augustus 2025 (het bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing gebleven.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [persoon] (referente) en de gemachtigde van verweerder. Ook is verschenen S.B. Aniania, tolk in de taal Tigrinia. Als toehoorder is de partner van referente verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres heeft op 14 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een mvv in de procedure TEV voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’. Referente is in het kader van nareis naar Nederland gekomen. Eiseres is de gestelde dochter van referente. Eiseres is vanwege de veiligheidssituatie in Ethiopië doorgereisd naar Kenia waar zij zich op 15 september 2025 als asielzoeker heeft geregistreerd.
3.1.
Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een mvv in de procedure TEV voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’ afgewezen. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en aan haar een dwangsom van € 1.442,- toegekend.
3.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet aan het paspoortvereiste wordt voldaan en dat de gestelde identiteit en nationaliteit van eiseres en de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referente niet kunnen worden vastgesteld. Verweerder stelt dat eiseres geen registratie, identiteitsbewijs of een Refugee Identity Card heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij in Ethiopië verblijft. Ook is volgens verweerder niet aangetoond dat eiseres heeft geprobeerd om een Eritrees paspoort aan te vragen en dat dit niet gelukt is. Verweerder stelt dat uit het onderzoek van Bureau Documenten van 23 april 2025 blijkt dat de geboorteakte met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en dat de legalisatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken van Eritrea bij deze geboorteakte vals is. De overgelegde doopakte maakt dit volgens verweerder niet anders, omdat dit geen officieel door de autoriteiten afgegeven document is, maar een indicatief document en minder bewijswaarde heeft dan een geboorteakte. Verweerder weegt ook in het nadeel van eiseres mee dat referente eenvoudige vragen over eiseres niet heeft kunnen beantwoorden. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat referente niet heeft aangetoond dat zij het gezag over eiseres heeft. Volgens verweerder bestaat geen grond om op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van het beleid af te wijken.

Het oordeel van de rechtbank

4. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Eiseres stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van het kind, de positie van eiseres als buitenwettelijk kind en de omstandigheden waarin zij verkeert. Eiseres doet een beroep op bewijsnood en stelt dat verweerder haar ten onrechte niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven en de feitelijke situatie onvoldoende in samenhang met de overgelegde stukken heeft afgezet tegen de feitelijke situatie in Eritrea. Eiseres stelt dat meer waarde moet worden gehecht aan de overgelegde doopakte, omdat documenten voor minderjarigen in Eritrea moeilijk te verkrijgen zijn en haar biologische vader niet bereikbaar is om na te gaan hoe de geboorteakte is verkregen. Ook is eiseres vaak verhuisd waardoor andere documenten moeilijk verkrijgbaar zijn.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 3.19 van het Vb [1] is bepaald dat de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van het Vb wordt verleend indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel naar het oordeel van verweerder heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In artikel 3.72 van het Vb is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de Vb wordt afgewezen, indien de vreemdeling naar het oordeel van verweerder heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
5.2.
Eiseres heeft bij de aanvraag van 14 februari 2024 een originele geboorteakte en een originele doopakte overgelegd. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 23 april 2025 blijkt dat de overgelegde geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en dat de legalisatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken van Eritrea vals is. Daarnaast blijkt uit deze verklaring dat de verschijningsvorm van de overgelegde doopakte afwijkt van het vergelijkingsmateriaal en dat niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Tijdens de hoorzitting heeft referente verklaard dat zij tegen de vader van eiseres heeft gezegd dat zij documenten nodig heeft en dat de vader van eiseres de geboorteakte vervolgens heeft toegestuurd. Referente heeft daarnaast verklaard dat zij niet zeker weet of de vader van eiseres de geboorteakte zelf heeft aangevraagd. Referente heeft verder verklaard dat zij eiseres in Eritrea heeft laten dopen bij de kerk en de doopakte zelf heeft aangevraagd. [2]
5.3.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat referente consequent heeft verklaard dat zij de geboorteakte niet zelf heeft aangevraagd, maar dat de vader van eiseres de geboorteakte heeft toegestuurd. De rechtbank overweegt dat niet kan worden uitgesloten dat de aanvraag van de geboorteakte ten behoeve van deze procedure is gedaan, maar dat daaruit niet zonder meer volgt dat eiseres niet kan aantonen dat sprake is van bewijsnood. De rechtbank overweegt verder dat de overgelegde doopakte geen officieel document, maar wel een indicatief document is en daarmee bewijswaarde toekomt. Daarbij komt dat referente heeft toegelicht waarom zij weinig tot geen informatie heeft over de schooljaren van eiseres. De echtgenoot van referente heeft toegelicht dat eiseres wel schoolrapporten heeft gehad, maar dat haar oma heeft verklaard dat de schoolrapporten verbrand zijn. [3]
5.4.
Eiseres heeft in beroep een UNHCR-registratie in Kenia van 10 juni 2025 en een asielzoekerspas van 19 september 2025 overgelegd. Eiseres refereert hierbij aan het bestreden besluit en het verzoek van verweerder om een kopie van de UNHCR-registratie te overleggen. De rechtbank constateert dat eiseres hiermee aan het verzoek van verweerder heeft voldaan. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn standpunt dat eiseres haar identiteit en nationaliteit niet nader heeft onderbouwd. Daar komt bij dat eiseres in beroep ook een rapport rechtsgeldig verwantschapsonderzoek heeft overgelegd waaruit volgt dat met 99,9 % is aangetoond dat referente de biologische moeder van eiseres is en waarmee de familierechtelijke relatie aldus nader is onderbouwd.
5.5.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiseres naast de situatie in Eritrea moeilijkheden ervaart, omdat zij een buitenwettelijk kind is en haar moeder al vroeg vertrokken is. Zij is in haar jeugd veel verhuisd en heeft bij haar grootouders in Eritrea gewoond. In het Algemeen Ambtsbericht Eritrea 2017 is het volgende opgenomen:
“Het is in Eritrea nog steeds kostbaar en niet gemakkelijk om een paspoort te bemachtigen – in Sudan is het veel eenvoudiger om een Eritrees paspoort te verkrijgen.” [4]
“Ouders kunnen voor hun minderjarige kinderen een paspoort aanvragen, maar minderjarige kinderen die de dienstplichtige leeftijd naderen lopen kans dat hun paspoortaanvraag geweigerd wordt. Volgens het jaarrapport over de Eritrese mensenrechtensituatie van het Amerikaanse Department of State uit 2015 is in de praktijk ook de uitreis van kinderen ouder dan vijf jaar niet toegestaan en wordt aan hen geen paspoort en uitreisvisum verstrekt. [5]
5.6.
In het Algemeen Ambtsbericht Eritrea december 2023 is het volgende opgenomen:
“Al tientallen jaren zouden de Eritrese autoriteiten een strikt uitreisbeleid hanteren met als doel om degenen die zouden kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van het land, met name door het dienen van de militaire en civiele dienstplicht, te verhinderen het land te verlaten. Om het land legaal te verlaten hadden personen nog steeds zowel een paspoort als uitreisvisum nodig, die enkel in uitzonderlijke gevallen werden verstrekt.” [6]
5.7.
In het Algemeen Ambtsbericht Eritrea december 2025 is het volgende opgenomen:
“In twee rapporten uit 2021 werd de afgiftepraktijk van de residence card beschreven. Hoewel deze praktijk per zoba kon verschillen, was de afgifteprocedure in grote lijnen als volgt: de family residence card werd afgegeven aan het gezinshoofd (doorgaans de vader). Op die kaart stonden de persoonsdata vermeld van alle gezinsleden die ook in het bevolkingsregistratiesysteem van de zoba stonden. Elk individueel gezinslid kon op aanvraag een afzonderlijke residence card krijgen, waarop enkel diens eigen persoonsdata stonden vermeld. Minderjarigen hadden geen eigen residence card maar werden bijgeschreven op de family residence card van het gezin.” [7]
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de situatie van eiseres onvoldoende in samenhang met de overgelegde stukken heeft beoordeeld en onvoldoende heeft afgezet tegen de feitelijke situatie in Eritrea. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres niet heeft aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld, zoals neergelegd in artikelen 3.13 en 3.72 van het Vb.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder niet, althans niet zonder nader onderzoek, heeft kunnen tegenwerpen dat eiseres haar identiteit en familieband met referente niet aannemelijk heeft gemaakt. De beroepsgronden slagen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak en rekening moeten houden met de belangen van het kind. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Belhadi, griffier
.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenbesluit 2000.
2.Verslag van gehoor van 28 mei 2025, p. 2.
3.Verslag van gehoor van 28 mei 2025, p. 8.
4.Algemeen Ambtsbericht Eritrea 2017, p. 22
5.Algemeen Ambtsbericht Eritrea 2017, p. 23.
6.Algemeen Ambtsbericht Eritrea december 2023, p. 19.
7.Algemeen Ambtsbericht Eritrea december 2025, p. 16.