ECLI:NL:RBDHA:2026:20570

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL25.58902
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 29 Vw 2000Art. 31 Vw 2000Richtlijn 2011/95/EUVerordening (EU) 2024/1347
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning verblijfsvergunning asiel aan Oeigoerse vrouw wegens gegronde vrees vervolging in Turkije

Eiseres, een Oeigoerse vrouw met de Chinese nationaliteit, diende op 20 oktober 2023 een asielaanvraag in die door de minister op 26 november 2025 werd afgewezen. De rechtbank Den Haag behandelde het beroep op 15 juni 2026 en oordeelde dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank baseerde dit op recente landeninformatie en rapporten, waaronder een Human Rights Watch-rapport, waaruit blijkt dat Turkije de situatie van Oeigoeren verslechtert en dat de Turkse autoriteiten verblijfsvergunningen intrekken en deportaties naar China uitvoeren.

De rechtbank verwierp het standpunt van de minister dat Turkije een veilig land is voor eiseres, mede omdat zij al bijna drie jaar buiten Turkije verblijft en haar verblijfsvergunning daardoor kan worden ingetrokken. Tevens slaagde het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat vergelijkbare gevallen met Oeigoerse minderjarigen eerder een verblijfsvergunning kregen. De rechtbank stelde vast dat de minister een dwangsom van €7.500,- aan eiseres verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, wees de zaak terug naar de minister en droeg op binnen twee weken een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van €1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de minister om binnen twee weken aan eiseres een verblijfsvergunning asiel te verlenen wegens gegronde vrees voor vervolging in Turkije.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.58902
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

geboren op [geboortedag] 2009, van Chinese nationaliteit,
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.
1.1.
Eiseres heeft op 20 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 26 november 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. [1] Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Als tolk in de Oeigoerse taal was aanwezig T. Yilihamu.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. De rechtbank geeft eiseres dus gelijk. De rechtbank zal de minister opdragen om aan eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij niet terug kan naar China omdat het daar niet veilig is. Ook kan eiseres niet terugkeren naar Turkije, waar zij sinds 2016 tot aan haar vertrek naar Nederland heeft verbleven met haar moeder, haar zusje en de Turkse partner van haar moeder. Eiseres vreest namelijk door de Turkse autoriteiten uit te worden gezet naar China.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens de minister uit het volgende asielmotief:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst.
5.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Dat eiseres vreest voor haar veiligheid in China, levert volgens de minister geen risico bij terugkeer op. Zij hoeft namelijk niet terug te keren naar China omdat zij een vestigingsalternatief heeft in Turkije. Ten aanzien van Turkije heeft eiseres volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zij een vrees voor vervolging heeft [2] of een reëel risico op ernstige schade loopt [3] . De minister heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond en heeft daarbij aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiseres in beroep?
6. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Primair voert eiseres aan dat zij bij terugkeer naar Turkije wel een reëel risico op ernstige schade loopt en om die reden een verblijfsvergunning moet krijgen. Dat eiseres een band heeft met Turkije kan niet tot de conclusie leiden dat zij naar Turkije kan terugkeren. Daarnaast heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij geen toegang meer heeft tot Turkije. Zo volgt uit de Turkse wet dat een verblijfsrecht wordt ingetrokken bij een verblijf van meer dan één jaar buiten Turkije. Bovendien stellen de Turkse autoriteiten zich niet welwillend op om Oeigoerse terugkeerders toe te laten. Turkije is voor eiseres, anders dan de minister stelt, geen veilig land. Eiseres vreest dat de Turkse autoriteiten haar naar China zullen uitzetten. Daarbij is relevant dat zij in de negatieve belangstelling staat van de Chinese autoriteiten. Ter onderbouwing van de verslechterde veiligheidssituatie van Oeigoeren in Turkije heeft eiseres verwezen naar een aantal rapporten.
6.1.
Subsidiair doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar twee vergelijkbare zaken [4] . Eiseres voert aan dat zij ook op die grond in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
6.2.
Tot slot voert eiseres aan dat de minister ten onrechte stelt dat er geen dwangsom verschuldigd is. De uitspraak van de rechtbank van 8 oktober 2024 [5] is namelijk ten onrechte niet betrokken.
Toetsingskader
7. De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) in haar recente arrest Quotal [6] heeft bevestigd dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. [7] Dit houdt ook in dat de rechtbank rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen. [8] Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat, indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. [9] Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. [10]
7.1.
De rechtbank overweegt verder dat, om voor vergunningverlening in aanmerking te komen, sprake moet zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilum [11] heeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn of haar individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn. [12] Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. [13] De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant. [14] Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst. [15]
7.2.
De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiseres en hetgeen zij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank, indien zij van oordeel is over alle relevante feitelijke en juridische gegevens te beschikken, een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of het asielrelaas van eiseres geloofwaardig is en (2) of zij een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit in die gevallen als het standpunt van de minister. Daarom zal de rechtbank in die voorkomende gevallen niet eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit, maar doet zelf een volledig en ex nunc onderzoek. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.
7.3.
Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. [16] De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. [17] Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek verricht , zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.
Bespreking van de beroepsgronden
Gegronde vrees voor vervolging en reëel risico op ernstige schade
8. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Eiseres loopt het risico dat haar Turkse verblijfsvergunning wordt ingetrokken en dat zij naar China wordt uitgezet. Uit de landeninformatie komt naar voren dat de veiligheid van Oeigoerse vluchtelingen in Turkije de laatste jaren is afgenomen. De stelling van de minister dat Turkije veilig zal zijn voor eiseres omdat zij hier in het verleden probleemloos heeft verbleven, volgt de rechtbank dan ook niet. Uit verschillende bronnen waar eiseres naar heeft verwezen blijkt dat de (trans)nationale druk van China op Turkije is toegenomen [18] , dat Turkije verblijfsvergunningen van Oeigoeren intrekt [19] , dat Oeigoeren in Turkije in toenemende mate in de gaten worden gehouden door de Chinese autoriteiten en dat er sprake is van een toename in het aantal arrestaties, detenties en uitleveringen van Oeigoeren aan China [20] . De bevoegdheid tot intrekking van verblijfsvergunningen in gevallen waarbij de vreemdeling langer dan één jaar buiten Turkije heeft verbleven, is bovendien ook vastgelegd in artikel 45 van Pro de Turkse Wet inzake buitenlanders en internationale bescherming.
8.1.
Het meest recente rapport dat eiseres heeft ingebracht betreft het rapport van HRW. [21] Dit rapport bevat de dringende oproep aan overheden om Turkije niet als veilig derde land aan te merken voor Oeigoeren. HRW benadrukt hierbij dat dit advies ook geldt voor Oeigoeren die een permanente verblijfsvergunning hebben in Turkije, aangezien de kans bestaat dat deze wordt ingetrokken. In datzelfde HRW-rapport wordt uitgelegd dat de banden tussen Turkije en China vanaf 2022 hechter zijn geworden en dat Turkije in toenemende mate een anti-immigratie beleid hanteert. Er wordt in het rapport uitgebreid ingegaan op hoe de Turkse autoriteiten zogenaamde “beperkingscodes” toekennen aan Oeigoeren, waarmee ze worden aangemerkt als “bedreiging voor de openbare veiligheid”. Volgens het HRW-rapport gebeurt dit vaak willekeurig, zonder dat er enig bewijs is dat de persoon in kwestie daadwerkelijk een bedreiging vormt. De toekenning van dergelijke codes kan leiden tot een reeks negatieve gevolgen. Als iemand met een beperkingscode om welke reden dan ook in contact komt met de Turkse autoriteiten, bestaat er bijvoorbeeld het risico dat deze persoon naar een deportatiecentrum wordt gestuurd. Het rapport vermeldt ook dat de Turkse autoriteiten Oeigoeren in deportatiecentra onder druk hebben gezet om formulieren voor “vrijwillige terugkeer” te ondertekenen. De geïnterviewden meldden ook mishandeling en slechte omstandigheden in de deportatiecentra. Daarnaast wordt in het rapport genoemd dat de Turkse autoriteiten verblijfsvergunningen hebben ingetrokken of naturalisatieaanvragen van Oeigoeren hebben afgewezen op grond van het feit dat zij een “bedreiging voor de openbare veiligheid” vormen, zonder daarvoor bewijsmateriaal te leveren. Los daarvan noemt het HRW-rapport ook verschillende incidenten waarbij Oeigoeren rechtstreeks of indirect zijn gedeporteerd vanuit Turkije naar China.
9. Uit bovenstaande landeninformatie maakt de rechtbank op dat Oeigoeren in Turkije alleen al vanwege hun afkomst in de negatieve belangstelling kunnen komen te staan van de Turkse en Chinese autoriteiten. De rechtbank kan het standpunt van de minister dat de overgelegde landeninformatie niet specifiek ziet op eiseres dan ook niet volgen. Daarnaast heeft eiseres enkel de Chinese nationaliteit en had zij ten tijde van haar vertrek uit Turkije een Turkse verblijfsvergunning. Uit bovenstaande landeninformatie en de Turkse wetgeving volgt dat verblijfsvergunningen van vreemdelingen kunnen worden ingetrokken wanneer een vreemdeling langer dan één jaar buiten Turkije heeft verbleven. Eiseres is in 2023 uit Turkije vertrokken en verblijft dus al bijna drie jaar buiten Turkije. In het licht van de verslechterde situatie van Oeigoeren in Turkije, vormt dit naar het oordeel van de rechtbank temeer aanwijzing dat zij te vrezen heeft voor intrekking van haar Turkse verblijfsvergunning en loopt zij om die reden risico dat zij zal worden uitgezet naar China. Voor zover de minister stelt dat het percentage Oeigoeren dat in Turkije woont en in detentiecentra wordt vastgehouden laag is, is deze vergelijking naar het oordeel van de rechtbank niet relevant. Het gaat in het geval van eiseres immers om iemand die al geruime tijd niet meer in Turkije woont, alleen de Chinese nationaliteit heeft en opnieuw tot Turkije zal moeten worden toegelaten. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet uitgesloten dat zij tot de groep Oeigoeren gaat behoren die wordt uitgezet.
10. De rechtbank is van oordeel dat zij beschikt over alle noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens om een bindende uitspraak te doen over de vraag of eiseres voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees heeft voor vervolging. Eiseres riskeert namelijk dat haar verblijfsvergunning wordt ingetrokken en dat zij, gelet op de landeninformatie, zal worden gedeporteerd naar China. Om die reden dient de minister aan eiseres internationale bescherming te verlenen als vluchteling.
Het gelijkheidsbeginsel
11. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt. De zaken waar eiseres naar verwijst betreffen een Oeigoerse minderjarige dochter en haar moeder die in Turkije verbleven voordat zij in Nederland asiel hebben aangevraagd. De minister heeft in die zaken aan de minderjarige dochter een verblijfsvergunning asiel [22] verleend omdat zij alleen de Chinese nationaliteit bezat. In beroep heeft eiseres ter onderbouwing de Turkse verblijfsvergunning van die dochter in de andere zaak overgelegd. De minister zag maar één verschil met de zaak waar eiseres naar heeft verwezen, maar heeft dat punt op de zitting ingetrokken en heeft zich verder gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. In de huidige zaak heeft eiseres, net als in de zaken waar zij een beroep op doet, ook alleen de Chinese nationaliteit. Met inachtneming van het feit dat de minister verder geen punten naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel hier op gaat en de minister ook om die reden een verblijfsvergunning asiel aan eiseres dient te verstrekken.
Dwangsom
12. Eiseres voert tot slot naar het oordeel van de rechtbank terecht aan dat de minister op basis van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 8 oktober 2024 [23] aan haar een dwangsom verschuldigd is. Op de zitting heeft de minister gesteld het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond te volgen. De rechtbank ziet aanleiding om de dwangsom op te leggen overeenkomstig de bovengenoemde uitspraak. Daarin heeft de rechtbank een termijn gesteld van zestien weken voor het nemen van een besluit op de aanvraag van eiseres. De minister is daarbij opgedragen een dwangsom uit te betalen van €100,- per dag met een maximum van €7.500,- als niet binnen die termijn is beslist op de aanvraag. Die termijn liep af op 28 januari 2025. Eiseres is op 18 november 2025 gehoord en het besluit is vervolgens op 26 november 2025 genomen, dertien maanden na de uitspraak van de rechtbank. Dat betekent dat de minister het besluit niet binnen de gestelde termijn heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat de dwangsom is volgelopen. De minister is dan ook het maximumbedrag van €7.500,- aan eiseres verschuldigd.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft de aanvraag van eiseres ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 18 van Pro het Handvest [24] als ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek, zie hiervoor onder rechtsoverweging 7., van de behoefte aan internationale bescherming van eiseres, stelt de rechtbank vast dat aan eiseres internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank wijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om binnen twee weken de gevraagde internationale bescherming te verlenen.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. [25]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • wijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op om binnen twee weken aan eiseres een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;
  • stelt vast dat de minister aan eiseres een dwangsom van €7.500,- verschuldigd is;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van
mr.L.C.C. Bakx, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).
2.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
3.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
4.Door de IND geregistreerd onder zaaknummers Z1-180972704615 en Z1-180989771236.
5.NL24.22320.
6.Arrest van het Hof van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 (Quotal).
7.Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026 (Quotal) C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.
8.Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.
9.Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.
10.Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.
11.Zie het arrest van het Hof, 4 juni 2026 (Ebilum) C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.
12.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.
13.Arrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.
14.Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.
15.Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.
16.Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.
17.Zie artikel 41.
18.Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht (AAB) Turkije, februari 2025, p. 100 en het artikel van Safeguard Defenders, ‘Targeted in Turkiye: China’s Transnational Repression Against Uyghurs’,
19.Human Rights Watch (HRW) rapport, ‘Protected No More’, Uyghurs in Türkiye’, 12 november 2025 en het AAB Turkije, februari 2025, p. 101.
20.Zie bijvoorbeeld het rapport van Human Rights Watch, ‘Protected No More’, Uyghurs in Türkiye’, 12 november 2025 en het onderzoek van David Tobin en Nyrola Elymä, ‘We know you better than you know yourself’: China’s transnational respression of the Uyghur diaspora’, University of Sheffield, 14 april 2023.
21.Human Rights Watch, ‘Protected No More’, Uyghurs in Türkiye’, 12 november 2025.
22.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
23.NL24.22320.
24.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
25.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.