ECLI:NL:RBDHA:2026:20583
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak Dublin-procedure
Verzoekster, van Syrische nationaliteit, had een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister van Asiel en Migratie had deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van haar asielaanvraag op grond van de Dublin-verordening.
Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerd beroep op 16 juli 2026, waarbij verzoekster en haar gemachtigde niet verschenen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nu op het beroep zelf uitspraak was gedaan, een voorlopige voorziening niet langer nodig was. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat op het beroep zelf uitspraak is gedaan.