ECLI:NL:RBDHA:2026:20591

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.39970
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.15 VbParagraaf A5/2.4. Vc
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vreemdelingenbewaring niet-begeleide minderjarige wegens onvoldoende motivering lichter middel

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een niet-begeleide minderjarige tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel was gebaseerd op het risico van onderduiken en het niet meewerken aan vaststelling van identiteit, mede gezien strafrechtelijke antecedenten.

De rechtbank erkent dat vreemdelingenbewaring bij minderjarigen slechts in uiterste gevallen en met bescherming van het belang van de minderjarige mag worden toegepast. Hoewel de gronden voor bewaring feitelijk juist zijn, oordeelt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstaat. Er is geen duidelijke individuele afweging gemaakt dat vreemdelingenbewaring noodzakelijk is en dat vrijheidsbeperkende maatregelen niet toereikend zijn.

Daarom wordt de maatregel onrechtmatig geacht en beveelt de rechtbank de onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring. Tevens kent de rechtbank een schadevergoeding toe voor de onrechtmatige bewaring van acht dagen en veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering bij het opleggen van vrijheidsbeperkende maatregelen aan minderjarigen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende motivering van het lichter middel en kent schadevergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39970

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Orthmann).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 16 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd en de rechtbank daarvan op 17 juli 2026 in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder, [tolk] als tolk en een telefonische tolk. Ook was mevrouw [persoon 1] van [persoon 2] aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw, als de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6., tweede lid van het Vb [2] zich voordoen.
2. In de regel worden minderjarige vreemdelingen niet in vreemdelingenbewaring gesteld. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen minderjarigen als maatregel in laatste instantie en nadat is gebleken dat minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast, en nadat is beoordeeld dat vreemdelingenbewaring in hun belang is, voor zo kort mogelijke duur in vreemdelingenbewaring worden gehouden. Daarbij geldt bij niet-begeleide minderjarigen dat zij door de vreemdelingenbewaring moeten worden beschermd. [3]
De oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser als minderjarige
3. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2009. Uit het dossier blijkt dat verweerder vooralsnog van de minderjarigheid van eiser uitgaat en dat leeftijdsonderzoek nog zal plaatsvinden. Eiser is geplaatst in detentiecentrum Zeist, op een afdeling voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
4. Nu uitgegaan wordt van de minderjarigheid van eiser, kan de maatregel van vreemdelingenbewaring alleen worden opgelegd wanneer dit in het belang van eiser als minderjarige is en hij door de bewaring wordt beschermd.
5. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat hiervan sprake is, gelet op de aanzienlijke strafrechtelijke antecedenten van eiser. Uit paragraaf A5/2.4.2.2. van de Vc [4] volgt dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling in ieder geval door de bewaring wordt beschermd indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde en de bewaring de minderjarige beschermt tegen verdere betrokkenheid. De maatregel van vreemdelingenbewaring beschermt eiser door te voorkomen dat hij bij verdere strafrechtelijke delicten betrokken raakt en daarmee is de maatregel in zijn belang opgelegd.
De gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring
6. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en dat ten aanzien van eiser is gebleken dat sprake is van een onderduikrisico en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
7. Eiser betwist alle gronden.
8. Verweerder heeft ter zitting grond t laten vallen.
9. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden van bewaring onvoldoende te achten. Verweerder heeft de grond a aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Deze grond is feitelijk juist, omdat eiser niet in het bezit is van de vereiste reisdocumenten en hij zich zonder toestemming door meerdere lidstaten heeft bewogen. Dat eiser het doel had om in Nederland een asielaanvraag in te dienen en zijn paspoort tijdens zijn reis is kwijtgeraakt, doet aan de juistheid van deze grond niet af. Verder mag verweerder grond c aan eiser tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist is. Eiser beschikt niet over identificerende documenten en niet is gebleken dat hij een poging heeft gedaan om aan identificerende documenten te komen. Eiser heeft verklaard dat een geboorteakte en een familieboekje bij zijn familie liggen, maar ondanks dat eiser regelmatig contact met zijn familie heeft, heeft hij hen niet gevraagd deze documenten op te sturen. De gronden a en c zijn voldoende om de maatregel te dragen. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden behoeft daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
10. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen, gelet op de minderjarigheid van eiser.
11. Uit de Vw, [5] het Vb [6] en de Vc [7] volgt dat een maatregel van vreemdelingenbewaring bij niet-begeleide minderjarigen alleen in uiterste gevallen wordt toegepast en dat zo veel mogelijk gekozen moet worden voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van vreemdelingenbewaring. Verweerder dient bij het in bewaring stellen van een niet-begeleide minderjarige rekening te houden met de individuele omstandigheden en deze omstandigheden duidelijk te motiveren.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat in dit geval geen lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring doeltreffend kon worden toegepast. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder in het kader van de beoordeling van het lichter middel onder meer verwezen naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, de strafrechtelijke antecedenten van eiser en de twijfel aan eisers gestelde minderjarigheid. Uit de motivering blijkt niet dat vooropgesteld is dat eiser minderjarig is, dat onderzocht is of kon worden volstaan met een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van vreemdelingenbewaring en om welke redenen hiermee niet kon worden volstaan. Dit had verweerder wel moeten doen en moeten motiveren, te meer nu bij niet-begeleide minderjarigen, nog meer dan bij volwassenen, vreemdelingenbewaring alleen in uiterste gevallen wordt toegepast. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
13. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
14. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160 (verblijf politiecel) en 7 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 1.000.
15. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser, vanwege de kennisgeving, geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.000 aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Dit staat in artikel 59b, vijfde lid, van de Vw.
4.Vreemdelingencirculaire 2000.
5.Artikel 59b, vijfde lid, van de Vw,
6.Artikel 5.15 van het Vb.
7.Paragraaf A5/2.4. van de Vc.