ECLI:NL:RBDHA:2026:20598

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.40358
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 106 lid 1 VwArt. 59c VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 lid 1 en 2 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), vanwege een onderduikrisico en het ontwijken of belemmeren van de uitzettingsprocedure.

Eiser betwist de feitelijke gronden waarop de maatregel is gebaseerd, zoals het ontbreken van reis- en identiteitsdocumenten, het niet meewerken aan terugkeer en het niet voldoende vaststellen van zijn identiteit. De rechtbank oordeelt echter dat deze gronden feitelijk juist en voldoende zijn om de maatregel te dragen. Ook het verweer dat de minister een lichter middel had moeten toepassen wordt verworpen, omdat eiser niet bereid was mee te werken aan terugkeer en reeds een lichter middel was toegepast zonder resultaat.

De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend konden zijn en dat de maatregel niet onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter R.P. van Eerde op 23 juli 2026 te Zwolle.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40358

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] . Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [2]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 17 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [3]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Dahman als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [4] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [5] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [6] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [7]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico is en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
5. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn. Zo stelt eiser ten aanzien van grond a dat het klopt dat hij niet beschikt over reis- en identiteitsdocumenten, maar daar tegenover staat dat hij zich wel onverwijld heeft gemeld. Ten aanzien van grond b stelt eiser dat hij aan alle gesprekken heeft deelgenomen, geen rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit en de Nederlandse autoriteiten op de hoogte heeft gesteld van de handelingen die hij wilde verrichten om aan zijn vertrekplicht te voldoen. Ten aanzien van grond c stelt eiser dat het klopt dat hij niet beschikt over documenten, maar dat hij wel de juiste personalia heeft opgegeven.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser aanvoert zijn de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet onvoldoende.
De minister mag grond a aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Eiser beschikte bij zijn inreis in Nederland niet over reis- en/of identiteitsdocumenten. Dat eiser zich daarna onverwijld gemeld heeft bij de autoriteiten, doet aan de feitelijke juistheid niet af. De minister mag grond b aan eiser tegenwerpen, omdat ook deze feitelijk juist is. Eiser heeft immers geen gevolg gegeven aan het terugkeerbesluit en ook is niet gebleken dat eiser daadwerkelijk handelingen heeft verricht om zijn terugkeer mogelijk te maken.
De minister mag grond c aan eiser tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist is. Uit de toelichting op de maatregel volgt dat eiser niet in het bezit is van een paspoort of een ander identiteitsdocument. Naar eigen zeggen heeft eiser zijn paspoort achtergelaten in zijn land van herkomst uit angst het document onderweg te verliezen. Verder is in de maatregel vermeld dat eiser zou hebben toegezegd familie te vragen om zijn paspoort op te laten sturen en eiser op een later moment heeft verklaard dat hij zijn broer zou vragen om documenten zodra hij vrij is uit de gevangenis. Echter, niet is gebleken dat eiser hierin enige verifieerbare actie heeft ondernomen. Dat eiser wel de juiste personalia heeft opgegeven, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af.
5.2.
Deze gronden zijn feitelijk juist en daarmee voldoende om de maatregel te dragen. De rechtbank beoordeelt daarom de betwisting van de andere gronden niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eiser nu hij geen behandeling krijgt voor zijn medische problemen [8] terug wil keren naar zijn land van herkomst. Verder was eiser aan het wachten op de mogelijkheid om contact op te nemen met zijn broer, zodat deze hem kan helpen aan documenten. Eisers broer is eerst op 13 juli 2026 vrijgekomen uit de gevangenis. Eiser begrijpt niet dat er niet gewacht kon worden tot hij contact had gelegd met zijn broer.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.
Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. [9]
6.1.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft bij deze beoordeling terecht de verklaringen en het gedrag van eiser en de gronden betrokken. Eiser heeft tijdens meerdere momenten voorafgaand aan zijn inbewaringstelling te kennen gegeven niet terug te willen keren, althans alleen te willen terugkeren op zijn voorwaarden, zodat een minder verstrekkende maatregel reeds daarom niet is geïndiceerd. Het is niet aan eiser om voorwaarden te stellen voor terugkeer. Eiser heeft de verzochte operatie om de kogel uit zijn lichaam te verwijderen niet gekregen.
Daar komt bij dat aan eiser voor de inbewaringstelling reeds een lichter middel was opgelegd in de vorm van een verblijf in een vrijheidsbeperkende locatie op grond van artikel 56 van Pro de Vw. Zijn verblijf aldaar heeft niet tot zijn vertrek geleid, zodat niet valt in te zien waarom bij het nogmaals opleggen van zo een maatregel dit anders zou zijn. Zoals ter zitting verklaard, heeft eiser nog altijd geen contact gezocht met zijn broer of andere familieleden. De minister hoeft dan ook niet het risico te lopen dat eiser toch onderduikt en niet verschijnt op de met hem gemaakte afspraken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [10]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
D.K. Bloemers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
6.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
7.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
8.Eiser is volgens zijn eigen verklaringen in België beschoten en de kogel zit nog in zijn lichaam.
9.Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
10.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.