Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister mag grond a aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Eiser beschikte bij zijn inreis in Nederland niet over reis- en/of identiteitsdocumenten. Dat eiser zich daarna onverwijld gemeld heeft bij de autoriteiten, doet aan de feitelijke juistheid niet af. De minister mag grond b aan eiser tegenwerpen, omdat ook deze feitelijk juist is. Eiser heeft immers geen gevolg gegeven aan het terugkeerbesluit en ook is niet gebleken dat eiser daadwerkelijk handelingen heeft verricht om zijn terugkeer mogelijk te maken.
De minister mag grond c aan eiser tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist is. Uit de toelichting op de maatregel volgt dat eiser niet in het bezit is van een paspoort of een ander identiteitsdocument. Naar eigen zeggen heeft eiser zijn paspoort achtergelaten in zijn land van herkomst uit angst het document onderweg te verliezen. Verder is in de maatregel vermeld dat eiser zou hebben toegezegd familie te vragen om zijn paspoort op te laten sturen en eiser op een later moment heeft verklaard dat hij zijn broer zou vragen om documenten zodra hij vrij is uit de gevangenis. Echter, niet is gebleken dat eiser hierin enige verifieerbare actie heeft ondernomen. Dat eiser wel de juiste personalia heeft opgegeven, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af.
Daar komt bij dat aan eiser voor de inbewaringstelling reeds een lichter middel was opgelegd in de vorm van een verblijf in een vrijheidsbeperkende locatie op grond van artikel 56 van Pro de Vw. Zijn verblijf aldaar heeft niet tot zijn vertrek geleid, zodat niet valt in te zien waarom bij het nogmaals opleggen van zo een maatregel dit anders zou zijn. Zoals ter zitting verklaard, heeft eiser nog altijd geen contact gezocht met zijn broer of andere familieleden. De minister hoeft dan ook niet het risico te lopen dat eiser toch onderduikt en niet verschijnt op de met hem gemaakte afspraken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
D.K. Bloemers, griffier.