ECLI:NL:RBDHA:2026:20599

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36088
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening visum kort verblijf voor bijwonen huwelijk

Verzoekster diende een visumaanvraag in voor kort verblijf in Nederland om bij goede vrienden te verblijven. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af vanwege onvoldoende bewijs van het doel en twijfel over het vertrek uit Nederland.

Verzoekster maakte bezwaar tegen deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die de minister zou verplichten binnen een korte termijn op het bezwaar te beslissen, zodat zij tijdig het huwelijk van de zoon van haar vrienden op 18 juli 2026 kon bijwonen.

De voorzieningenrechter erkende enige spoedeisendheid, maar oordeelde dat het bijwonen van het huwelijk van vrienden onvoldoende zwaarwegend was om de minister te dwingen binnen de gevraagde termijn te beslissen. Bovendien kreeg de minister redelijkerwijs twee weken extra om een zorgvuldig besluit te nemen.

Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om binnen een korte termijn op bezwaar te beslissen is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36088

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], V-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag voor een visum voor kort verblijf (visumaanvraag) voor verzoekster en haar drie minderjarige kinderen. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

3. Verzoekster heeft een visumaanvraag ingediend voor verblijf bij goede vrienden in Nederland, [referenten] (referenten). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 januari 2026 afgewezen om twee redenen. Ten eerste omdat verzoekster het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Ten tweede omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van verzoekster om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Daarbij heeft verweerder onder meer overwogen dat de informatie die is verstrekt met betrekking tot het doel en de omstandigheden van het beoogde verblijf niet betrouwbaar is. Er bestaat twijfel over de authenticiteit van de overgelegde documenten en bewijsstukken, alsmede van de juistheid van de inhoud ervan.
4. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 12 februari 2026. Op 30 juni 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt dat verweerder wordt opgedragen om uiterlijk op 9 juli 2026 een beslissing te nemen op het bezwaar.
5. De voorzieningenrechter heeft verweerder op 2 juli 2026 verzocht om uiterlijk 6 juli 2026 om 17 uur te reageren op het verzoek om een voorlopige voorziening en daarbij in te gaan op de vraag wat de stand van zaken is in de bezwaarfase, binnen welke termijn een beslissing op bezwaar wordt verwacht en of verweerder zich verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft tijdig aan dit verzoek voldaan. Verzoekster heeft op 7 juli 2026 een reactie ingediend.
6. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft en heeft het onderzoek op 8 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

7. Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een beoordeling door de voorzieningenrechter. Op 18 juli 2026 wil zij namelijk met haar kinderen het huwelijk bijwonen van de zoon van referenten. Zonder het gevraagde visum voor kort verblijf zal zij Nederland niet kunnen inreizen.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het willen bijwonen van het huwelijk geen spoedeisend belang is gelegen. De visumaanvraag is namelijk gedaan met als doel om in de periode van 1 maart 2026 tot 14 maart 2026 familie/vrienden (‘family friend’) te bezoeken en samen tijd door te brengen en niet om een huwelijk op 18 juli 2026 bij te wonen.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van enige mate van spoedeisendheid. Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij en haar kinderen zijn uitgenodigd voor het huwelijk van de zoon van referenten op 18 juli 2026. Weliswaar is dit huwelijk niet expliciet bij de visumaanvraag vermeld, maar de voorzieningenrechter kan verzoekster volgen in haar standpunt dat het nog steeds om een bezoek gaat aan (dezelfde) vrienden dat op een later tijdstip plaatsvindt doordat de visumaanvraag eerder is afgewezen. Nu het hier echter geen huwelijk betreft van directe familieleden, maar van de zoon van vrienden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat enkel de spoedeisendheid niet voldoende grond biedt om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.
10. De voorzieningenrechter betrekt de geringe spoedeisendheid wel bij de verdere beoordeling.
11. Verzoekster heeft verzocht om verweerder op te dragen om uiterlijk op 9 juli 2026 een beslissing op het bezwaar te nemen zodat – zo begrijpt de voorzieningenrechter – zij de mogelijkheid houdt om tijdig naar Nederland te reizen om het huwelijk op 18 juli 2026 bij te wonen. Uit het dossier blijkt dat verzoekster op 12 februari 2026 bezwaar heeft ingesteld tegen de afwijzing van de visumaanvraag. Nadat verweerder herstelverzuim heeft geboden om de gronden van bezwaar in te dienen heeft zij op 27 april 2026 de gronden ingediend. Op 11 mei 2026 heeft zij nog aanvullende stukken ingediend. Uit het dossier blijkt verder dat de planning van het huwelijk al in februari 2026 is gestart. Verzoekster heeft echter pas op 30 juni 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend en gewezen op de spoedeisendheid van het verzoek. Daardoor resteert er voor verweerder weinig tijd om aan de gevraagde voorziening te voldoen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, ondanks dat de beslistermijn voor verweerder om op het bezwaar te beslissen al is verlopen, verweerder voldoende tijd moet krijgen om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen. De twee weken die verweerder zegt minimaal nog nodig te hebben komt de voorzieningenrechter redelijk en niet onrealistisch voor. Dat betekent dat verweerder minimaal tot 23 juli 2026 de tijd heeft om op het bezwaar te beslissen hetgeen later is dan de gevraagde voorziening. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoekster bij toewijzing van het verzoek niet dermate zwaarwegend is dat het dient te prevaleren boven de belangen van verweerder om binnen een redelijke termijn een zorgvuldig besluit te nemen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verweerder niet wordt opgedragen om uiterlijk 9 juli 2026 een beslissing op bezwaar te nemen.
13. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.