ECLI:NL:RBDHA:2026:20610

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.23698
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beoordeeld waarin de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling werd genomen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, waarbij Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen.

Eiser voerde aan dat hij medische en psychische klachten heeft die overdracht aan Oostenrijk tot onevenredige hardheid zouden maken, en dat de minister daarom artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten toepassen. De rechtbank oordeelde echter dat eiser deze klachten onvoldoende had onderbouwd en dat de minister op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht aannemen dat eiser in Oostenrijk adequate zorg kan ontvangen.

De rechtbank concludeerde dat het beroep kennelijk ongegrond is en dat het besluit van de minister om de aanvraag niet in behandeling te nemen terecht is. Eiser mag worden overgedragen aan Oostenrijk en krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 23 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Oostenrijk blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaat Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23698

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt medische klachten te hebben waardoor overdracht aan Oostenrijk zal leiden tot onevenredige hardheid. Gelet hierop dient de minister de beoordeling van de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Gelet op de psychische klachten van eiser getuigt overdracht van bijzondere hardheid.
Wat oordeelt de rechtbank?
4. De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat overdracht van eiser naar Oostenrijk niet getuigt van onevenredige hardheid. Eiser heeft in zijn geheel niet onderbouwd dat er sprake is van medische/psychische problematiek en de enkele stelling dat dit het geval is, is onvoldoende. Als al aangenomen moet worden dat sprake is van medische problematiek, mag de minister er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat eiser de nodige zorg ook in Oostenrijk kan krijgen. Eiser heeft geen redenen aangevoerd waarom dit niet het geval zou zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet gesproken kan worden van onevenredige hardheid waardoor artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening zou moeten worden toegepast. De minister heeft in het besluit gereageerd op hetgeen door eiser in dit kader naar voren is gebracht en eiser heeft niet onderbouwd waarom deze reactie ontoereikend is. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit op dit punt onzorgvuldig is.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Oostenrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.23699.