Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2063

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
26/149
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen aanleg doseersluis Van der Kooijweg in Rijswijk

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het verkeersbesluit van 6 november 2025 van de gemeente Rijswijk betreffende de aanleg van een doseersluis op de Van der Kooijweg. Hij verzocht de voorzieningenrechter om de aanleg op te schorten. De doseersluis is bedoeld om sluipverkeer te verminderen en de verkeersveiligheid te verbeteren.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker belanghebbende is, maar dat hij geen spoedeisend belang heeft. Er is geen sprake van een acute noodsituatie of onomkeerbare gevolgen, aangezien de doseersluis bij een gegrond bezwaar weer kan worden verwijderd. Het verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als het besluit evident onrechtmatig is, wat hier niet het geval is.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Verzoeker krijgt een uitnodiging voor een hoorzitting over zijn bezwaar op 24 februari 2026. De uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland op 29 januari 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de aanleg van de doseersluis wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/149

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: mr. R.J. Donkersloot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het verkeersbesluit van 6 november 2025, ‘Gemeente Rijswijk – verkeersbesluit voorrangsregeling doseersluis Van der Kooijweg -te Rijswijk’.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het verkeersbesluit bezwaar gemaakt. [1] Ook heeft hij de voorzieningenrechter op 8 januari 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. De doseersluis waar het verkeersbesluit op ziet is op 22 januari 2026 aangelegd. Een doseersluis is een wegversmalling die ervoor zorgt dat auto’s en andere motorvoertuigen niet allemaal tegelijk door de straat kunnen rijden. Het verkeer wordt tegengehouden door middel van verkeerslichten en daarna weer doorgelaten. Met het verkeersbesluit wordt de toepasselijke bebording geregeld. Het doel van de doseersluis op de Van der Kooijweg is volgens verweerder om sluipverkeer op de route te verminderen en de verkeersveiligheid op de Van Rijnweg te verbeteren. Het aantal motorvoertuigen zal naar verwachting dalen tot 200 per uur. Deze zaak ziet op de vraag of het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker is het niets eens met het verkeersbesluit en hij verzoekt de voorzieningenrechter om de aanleg van de doseersluis op te schorten. Anders dan verweerder stelt, [2] is verzoeker belanghebbende bij het verkeersbesluit. Hij meent dat er onvoldoende participatie heeft plaatsgevonden met de bewoners van Hoekpolder, Sion, Van Rijnweg en gebruikers van sportpark Hoekpolder. Daarnaast staat niet vast dat de veiligheid van de Van Rijnweg door het verkeersbesluit wordt verbeterd en het is onduidelijk waarom niet is gekozen voor de mogelijkheid ‘afsluiting met ontheffing’ of ‘afsluiting tijdens de spits’. Het enige doel van de doseersluis lijkt volgens verzoeker het verkeer dusdanig vertragen dat de reistijd net zo lang wordt als via de Prinses Beatrixlaan. Verzoeker wijst erop dat de (huidige) situatie op de Van Rijnweg in strijd is met het vigerende omgevingsplan nu er nog geen omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) is aangevraagd. Als bewoner van de Hoekpolder zal verzoeker door de doseersluis tijdens de spits ernstig worden belemmerd om thuis te komen. Hij stelt daarom dat hij een spoedeisend belang heeft bij de behandeling van zijn verzoek.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek tot voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
4.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Voor het aannemen van het vereiste spoedeisende belang dient sprake te zijn van een acuut en ook actueel belang, waarbij een beslissing geen uitstel kan lijden, omdat er anders een onomkeerbaar gevolg optreedt. Dat wil zeggen dat er dus niet gewacht kan worden op de beslissing op bezwaar.
4.2.
Niet is gesteld of gebleken dat verzoeker ten gevolge van het primaire besluit in een acute noodsituatie is geraakt of in een situatie waarin de gevolgen voor hem onomkeerbaar zijn. Door verzoeker wordt slechts gesteld dat hij hinder zal ondervinden, omdat het aanleggen van de doseersluis ertoe zal leiden dat hij tijdens de spits ernstig wordt belemmerd om thuis te komen. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Voorts wordt opgemerkt dat indien in bezwaar wordt vastgesteld dat het besluit ten onrechte is genomen, de doseersluis weer kan worden weggehaald.
4.3.
Omdat verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit uiteindelijk in stand zal blijven. Van een evident onrechtmatig besluit is in dit geval echter geen sprake.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verzoeker heeft een uitnodiging ontvangen voor een hoorzitting over zijn bezwaarschrift, de hoorzitting is op 24 februari 2026.
2.Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4053.